|
LIMA (17-08-2002)
Zondagochtend nog voor kerktijd steek ik
al een heel continent over. Van Buenos Aires
dat bijna aan de Atlantische Oceaan ligt
naar Santiago de Chile dat aan de Stille
Oceaan ligt. Pacific vind ik eigenlijk heel
wat stoerder klinken voor zo'n inmense plas
water, maar de Nederlandse cartografen van
destijds vonden er kennelijk de grote stilte
of de grote windstilte. Nooit eerder vloog
ik over de Andes. Daar heerst volgens het
televisienieuws de barre winter en is als
gevolg van zware sneeuwval de belangrijkste
grensovergang tussen Argentinië en
Chili regelmatig voor alle verkeer gesloten.
De vlucht is al bijna voorbij voordat de
eerste besneeuwde bergtoppen in zicht komen.
Die zien er imposant uit, maar het gebied
waar sneeuw ligt, is veel minder breed dan
ik verwachtte. Tot mijn verassing wordt
onmiddelijk na het passeren van de hoogste
toppen de landing al ingezet.
Santiago is niet mijn eindbestemming, dat
is Lima, de hoofdstad van Peru. De vlucht
tussen beide steden duurt iets minder dan
4 uur, met tijdens de hele vlucht de besneeuwde
toppen van de Andes rechts en de oceaan
links. De ruimte tussen de kust en het voetgebergte
van de Andes stelt werkelijk niets voor.
Zo wordt vanuit de lucht het bewijs geleverd
dat Chili écht een heel smal land
is en dat het niet alleen op de kaart zo
lijkt. De eerste indrukken van Peru zijn
wat rommelig. De landingsbaan ligt vlak
aan zee, zoals in Marseille, in de baai
liggen wat vissersbootjes en op het water
ligt een laag olie. Het strand lijkt op
een vuilstortplaats. Peru waakt net op uit
de siësta of zo. De eerste passagiers
treffen de paspoortcontrole onbemand aan
en even later moet ik douane vragen of ze
de voordeur van het land voor mij willen
open doen. De gereserveerde taxi die mij
naar het hotel moet brengen laat 45 minuten
op zich wachten en eenmaal in het hotel
aangekomen, moet ik na enig geduld te hebben
geoefend twee keer uitdrukkelijk verzoeken
of ik me mag inschrijven. Als er hier geen
Spaans zou worden gesproken en de meeste
mensen geen Indiaans bloed zouden hebben,
zou ik me in Afrika hebben gewaand.
Ongeveer een halve dag om een indruk van
Lima op te doen. Een stad met naar zeggen
14 miljoen inwoners. Dat is niet veel tijd
en het begint waar het gisteravond ophield.
Toen ik navraag deed naar wat een taxi naar
het centrum van Lima kost, was het spontane
antwoord "20 Soles." Van de Peruaanse
Sol gaan er zo'n 3 ½ in een Euro.
Dat was gisteren, vandaag kost de taxi het
dubbele. Taxi's hebben geen meter, dus als
je de prijs niet kent, betaal je het tarief
van de onkunde. "Weet je het zeker?"
vraag ik nog maar eens. Ja ze weet het zeker,
want dit is de prijs voor een zéér
betrouwbare taxi. Hoewel het streng tegen
de veiligheidsvoorschriften van mijn werkgever
indruist, reageer ik met "Bekijk het
maar. Dan loop ik wel naar de grote weg
en neem daar een taxi." Na een paar
honderd meter krijg ik een lift en binnen
tien minuten ben ik voor 10 Soles onderweg
naar het Nationaal Museum. Aldus maak ik
kennis met Matteo. Ervaring leert, dat als
je in een buitenland een zo op het oog redelijk
betrouwbare taxichauffeur tegenkomt, je
moet proberen hem vast te houden. Bovendien
is zo'n man vaak een bron van nuttige en
minder nuttige informatie, het soort trivia
waar ik wel van hou. Na een kwartier of
zo leg ik hem uit wat ik wil gaan doen en
spreken we een prijs af voor de rest van
de dag.
Via de Carretera Central rijden we richting
stadscentrum. Hoe dichter we bij de stad
komen, hoe meer Lima op Lagos begint te
lijken. Allereerst zijn daar de "Taxicholo",
gemotoriseerde driewieltaxi's, vergelijkbaar
met de "Keke Marwa", vernoemd
naar de militaire gouverneur van de deelstaat
Lagos tijdens wiens bewind dit type goedkoop
vervoer zijn intrede deed. Massa's mensen
op straat, echte en illegale taxi's (de
mijne is een illegale), afgeladen combibusjes
met uit de deur hangende conducteurs die
de klanten naar binnen schreeuwen, anarchistische
huizenbouw, straatverkopers die in de file
hun koopwaar slijten, informele markten
op het trottoir en op straat, luide muziek.
Op de heuvels groeien geen bomen maar sloppenwijken,
die hier "Pueblos Jovenes - Jonge Dorpjes"
worden genoemd. Op sommige daken midden
in een drukke woonwijk staan de Braziliaanse
Bumba mi Boi, een gestileerde stier, het
zijn uithangborden voor vuurwerkfabriekjes.
Wat een verrukkelijk ongeorganiseerd zooitje!
Het Nationaal Museum is gesloten en omdat
er in de buurt niet mag worden geparkeerd,
heb ik helaas tegen Matteo gezegd over een
uur terug te komen. Het alternatief is het
openluchtmuseum oftewel mensen kijken en
die zijn er zat. Veel te strak afgeklede
vrouwelijke motoragenten die het verkeer
wat proberen te ordenen. Zeker twee hebben
daar een veel te dikke kont voor. Lange
rijen mensen voor de Nationale Bank, waar
belasting kan worden betaald en staatspensioenen
kunnen worden geïnd.
Waar veel menselijk verkeer is, bloeit in
arme landen de informele werkgelegenheid.
Twee keurige oudere dames kopen een trui,
een jongen probeert een electrische boormachine
te slijten, er wordt met churros, chocolade
en ander snoepgoed gevent, of ik soms scheermesjes
nodig heb, enzovoorts. En dan zijn er natuurlijk
de dienstverleners, schoenpoetsers en jongens
die als zelfbenoemde parkeerwachters voor
een Sol een oogje op je fout geparkeerde
auto houden. Het uurtje wachten vliegt voorbij.
Via achterbuurten rijden we naar de Plaza
Mayor in het centrum van de stad. Naast
het Paleis waar President Alejandro Toledo
zetelt, staat een beetje weggestopt een
ruiterstandbeeld van Francisco Pizarro.
Hij maakte van het Incarijk een Spaanse
kolonie en stichtte in 1535 de stad Lima.
"Het beeld stond vroeger in het midden
van het plein" gniffelt Matteo "en
verdwijnt langzaam maar zeker uit zicht,
nog een paar keer en hij ligt in de Oceaan."
Links het plein omrijdend zijn daar vervolgens
het Stadhuis, tegenover het Paleis mooie
klassieke appartementen en tenslotte tegenover
het Stadhuis de Kathedraal en het Aartsbisschoppelijk
Paleis. Veel gebouwen in het centrum hebben
een pront uit de de voorgevel stekende houten
uitbouw. Het zijn balcons of over meer dan
een verdieping verdeelde gesloten erkers,
het doet zeer Spaans aan en het is de eerste
keer dat ik dit zie in Zuid Amerika. Een
paar straten verderop neem ik een snel kijkje
bij de kerk van Franciscus van Assissi,
beroemd vanwege de catacomben, maar voor
een bezoek is er vandaag geen tijd. "De
Spanjaarden hebben hier wel erg veel kerken
gebouwd" zeg ik tegen Matteo, waarop
hij vertelt dat in de meeste heiligdommen
van de Inca's katholieke kerken werden gebouwd
om hen de macht van "het ware geloof"
in te wrijven.
Het gebouw van de Centrale Bank is totaal
uitgebrand, echt helemaal. "Eerder
dit jaar aangestoken door demonstranten"
legt Matteo uit. Zo'n grondige destructie
kan nooit het gevolg zijn van een paar molotovcocktails.
Het verhaal gaat dat de geheime diensten
van Fujimori, de vorige President, wat hebben
geholpen met fosforbommen. "Alle dokumenten
die betrekking hebben op onze buitenlandse
schuld zijn verbrand, dus dat probleem is
ook opgelost" lacht Matteo. Als we
even later het Ministerie van Justitie passeren
vraag ik hem "En heb je hier justitie?"
"Als je geld hebt wel!" is zijn
reaktie.
Mijn laatste reisdoel is het Museo Oro
del Perú - het Goudmuseum van Peru.
Onderweg er naar toe vertelt Matteo dat
hij van zijn moeders kant een direkte nazaat
is van de tweede Inca (=heerser). Wat is
er nu authentieker dan door een afstammeling
van een koninklijke Inca naar een museum
vol met de Incaschatten te worden begeleid?
De entree van vier Peruaanse minimum daglonen
is stevig voor een Zuid Amerikaans Museum
en hoewel er op het kaartje staat dat het
geld wordt gebruikt voor het onderhoud van
de musea, ontdek ik later dat veel vitrines
hard aan een opknapbeurt toe zijn. De toegangsdeuren
zijn van het type bankkluisdeur, maar op
de begane grond is niet veel van waarde
te zien. Dit het Museum van de Wapens van
de Wereld. Het eerste dat ik er zie is een
uniform van Franco en het volgende is een
galauniform van Pinochet. Dit is volkomen
verkeerd gezelschap. Heb ik hier nu 10 dollar
voor moeten betalen? Het geheim van het
museum is echter verborgen in de kelder.
Dat is een ware schatkamer, die is
volgestouwd met Inca en pre-Inca gouden
en zilveren gebruiksvoorwerpen, dodenmaskers,
juwelen, tumis (rituele messen, zie afbeelding),
textiel, prachtige keramiek, wapentuig en
landbouwwerktuigen. Het is indrukwekkend
te zien wat een hoog ontwikkelde beschaving
hier al bestond "zelfs nog voor dat
het land was ontdekt" en geen wonder
dat Pizarro dacht El Dorado te hebben gevonden.
Het is interessant om te zien hoe de Spaanse
kolonisatie de vormgeving van de juwelen
geleidelijk aan beïnvloedde, in de
"época de transición"
verschijnen er kruisjes aan de kettingen
en worden er handtasjes van filigraan gemaakt.
Ondanks al het goud dat er blinkt, vind
ik de keramiek verreweg het mooist. Het
zijn veelal gebruiksvoorwerpen: waterkruiken,
bekers, borden, potten, schalen en urnen.
Erg functioneel en, hoewel vele honderden
jaren oud, met een zeer hedendaagse vormgeving,
een vormgeving die in mijn ogen de test
der tijd ruim heeft doorstaan. Het Museum
is een populaire toeristische bestemming
en ik ben blij rustig in mijn eentje te
kunnen genieten en niet door een gids op
hoge snelheid door de museumkluis te worden
gejaagd.
Terug in de taxi kan ik met Matteo mijn
indrukken delen. Hij heeft het museum nog
nooit van binnen gezien, maar is wel een
trotse Inca. We praten wat door over Machu
Pichu en andere bouwerken hoog in de bergen
en vragen ons af hoe dit allemaal tot stand
is gebracht. Hoogontwikkelde ingenieurs
en knappe architecten. Sommige irrigatiesystemen
en aquaducten functioneren tot op de dag
van vandaag zonder enig probleem. Matteo
glimt van trots en ik kijk met plezier naar
zijn koninklijke profiel.
|