|
TANGOWEEKEINDE (09102003) Wij hebben twee Haagse tangofanaten te logeren. Op zaterdagmorgen maken we een uitstapje naar de megabegraafplaats van het stadsdeel Chacarita, het zal het onbedoelde begin worden van een lang tangoweekeinde. Op Chacarita zijn een aantal groten van de tango begraven. Al heel lang de in 1935 bij een vliegtuigongeluk in Colombia om het leven gekomen Carlos Gardel. Een heel stuk korter Osvaldo Pugliese, Aníbal Troilo en Roberto Goyeneche. Het graf van Gardel ligt op de hoek van Calle 13 - de 13e straat. Bovenop zijn grafkamer staat de levensgroot in brons gegoten Gardel op zijn gemak een sigaretje te roken. De grafmonumenten van Pugliese en Troilo blinken uit door afzichtelijke lelijkheid. Zij zijn begraven in het speciale “artiestenhoekje.” Daar zit een bronzen Pugliese met anjer in de hand achter zijn piano, een levensgrote “el gordo - de dikke” Troilo speelt aan de overkant op zijn bandoneón. “El Polaco” Roberto Goyeneche ligt anoniem naast Troilo begraven met niet meer dan een slecht onderhouden grasveldje boven zijn hoofd. Het graf van Benito Quinquela Martín, een van mijn favoriete Argentijnse kunstenaars, raakt steeds verder in verval. De bovenkant van het graf bestaat uit een maquette van de haven van La Boca, het stadsdeel waar hij zijn leven lang heeft gewoond en gewerkt. De maquette is hard aan een nieuwe laag verf en reparatie toe. De twee bruggen liggen op kade. Onze gaste, die gewend is beschadigde kunst te restaureren, kan dit niet aanzien zij geeft de bruggen snel hun imaginaire functie terug. Het zien van de graven van Quinquela Martín en Gardel inspireert. Na het bezoek aan de begraafplaats stoppen we in Abasto, het stadsdeel waar Gardel heeft gewoond. In het huis dat hij daar voor zijn moeder kocht, is sinds een paar maanden het Carlos Gardel Museum gevestigd. Voor de deur van het museum wordt vanmiddag op het asfalt Tango gedanst. Onder de paren die gaan optreden, zien we bekenden. “Ik ken die mensen ergens van” zeg ik met grote stelligheid. Onze logees kennen het paar ook. Even later schiet me te binnen dat zij iedere zondag in San Telmo optreden. Onze logees herkennen hen van de omslag van het boek “Inside Guide Buenos Aires.” Er is erg weinig belangstelling, wat familie en vrienden, meer niet. De Haagse tangofanaten bestuderen de passen en de techniek van de dansende paren. Zij gaan een stuk wijzer terug naar huis. Ik, dansanalfabeet, heb niets bijgeleerd. Zondagmiddag gaan we naar het Quinquela Martin Museum in La Boca. De voormalige atelierwoning van de artiest is keer op keer het bezoek meer dan waard. Niet op de allerlaatste plaats vanwege het fraaie uitzicht dat je vanaf het dak hebt. Beneden op straat schalt luide tangomuziek, op de kade wordt gedanst. Het is een zonnige voorjaarsdag en er zijn veel toeschouwers. Een opsteker voor de artiesten die hun gage verdienen door na afloop van hun optreden met de hoed rond te gaan. Ook op het trottoir naast de museumingang en op de straathoek honderd meter verderop wordt op deze manier geld verdiend door beginnende en gevorderde tangodansers. De eerste helft van vorig jaar was het hier totaal uitgestorven, nu is het aangenaam druk. Het gaat goed met het toerisme en daardoor met de Tango. We moeten ons haasten. Om zes uur begint in de Salón Dorado - de Gouden Zaal van het “Casa de la Cultura” het zondagse tangorecital. Soms saai, soms aardig, af en toe goed. We boffen, vandaag treedt er niet alleen een trio (piano, cello, bandoneón) op, er wordt bovendien gezongen en gedanst. Zelf geniet ik het meest van het jonge paar dat op de muziek van Piazzolla’s “Libertango” een dicht tegen het jazzballet aanleunende tango danst. De tangofanaten moeten na afloop snel door naar hun dagelijkse dansles, ik wandel op mijn gemak naar huis via de winkelstraat Florída. Voor het modehuis Zara begeleidt een bejaarde bandoneónspeler een niet minder bejaarde zangeres. Zij vertolkt met krassende stem een tango op een manier die mij onmiddellijk aan de acteur Leen Jongewaard doet denken. Die zong in zijn rol van “Opa” in de tv-serie “Ja Zuster, Nee Zuster” het lied “De oude Jacob” met dezelfde gebroken stem. Thuis gekomen, speel ik Narcotango en de technotango van BajoFondo als muziek voor het slapen gaan. Dinsdagavond, Teatro Cervantes. Wij hebben plaatsen op de vierde verdieping, die “Paraiso - Paradijs” heet. Zoals iedere dinsdag treedt het Nationaal Orkest voor Argentijnse Muziek op, het orkest speelt uitsluitend tango’s. Iedere dinsdag opnieuw is de zaal, net zoals de Salón Dorado op zondag, voornamelijk gevuld met grijzende Argentijnen. Toeristen zijn gelukkig een zeldzaamheid bij deze concerten. Vandaag treden er twee echte beroemdheden op. De pianist Atilio Stampone musiceert en dirigeert het orkest, Amelita Baltar zingt. Beiden delen een verleden met Astor.Piazzolla. Stampone speelde in 1946 in het eerste door Piazzolla gevormde orkest en in 1955 in het avant-gardistische Octeto Buenos Aires. Moeilijk voor te stellen, gezien de onthaaste manier waarop hij het orkest leidt. Amelita is een verhaal apart. Piazzolla werd hals over kop verliefd op haar, jarenlang trokken ze samen op. Zij vertolkte Astor´s composities veelal met teksten van Horacio Ferrer. Gedrieën beleefden ze de in 1969 de grote doorbraak voor Piazzolla’s muziek in Buenos Aires met het lied “Balada para un Loco.” Amelita zingt het alsof ze dat vanavond voor de eerste keer doet. Het publiek reageert enthousiast en smeekt om een toegift. Een mooier einde van dit zo rijkelijk met vele soorten tango gevulde weekeinde, had ik me niet kunnen wensen. |