|
TANGOFESTIVAL 2005 - deel 2 (13032005) Woensdagavond, 2 maart 2005. ”Solo Tango - Niets dan Tango” beroemt zich erop de enige televisiezender ter wereld te zijn waarvan ieder programma over de tango gaat en over alles wat met tango heeft te maken. Uiteraard zetelt het hoofdkwartier in Buenos Aires. Het klinkt misschien eentonig, maar dat valt best mee. Dansles, shows, praatprogramma’s, documentaires over de groten van de tango uit het verre en het recente verleden, tangofilms, de dagelijkse agenda met de optredens in en rond Buenos Aires, enzovoort. Raar, maar origineel is het programma “Radio Tango” dat, zoals de naam al zegt, gewoon radio op de televisie is. Er worden platen gedraaid die worden begeleid door korte filmpjes met stadse taferelen, die meestal niets met de tekst hebben te maken. Het gaat om de muziek, de beelden zijn bijzaak. De zender bestaat binnenkort tien jaar en heeft om dat vast te vieren de programmering voor vanavond verzorgd die bestaat uit elektronische tango, de jongste loot aan de tangoboom. Na een promotiefilmpje van tien minuten, neemt de directeur van “Solo Tango” het woord totdat ie zelf in de gaten krijgt voor dove oren te spreken. Dat is gelijk veruit het leukste deel van zijn toepspraak. Met een handige draai van “ Ik ga nu eindigen, want jullie zijn hier om naar tango te luisteren en niet voor mijn toespraak!” Eindelijk komen de echte artiesten aan de beurt. Als eerste is dat de uit de stad Rosario afkomstige trio “San Telmo Lounge” dat bestaat uit bandoneón, toetsen en elektrische gitaar. De groep speelt te veel melancholiek slome nummers van hun nieuwe CD “Madrugada in Backcelonia“ die jammer genoeg slechts spaarzaam door een wat pittiger beat worden onderbroken en ……… door mist. Wat de functie van dit mistapparaat is, is voor mij erg onduidelijk. Zo´n beetje iedere vijf minuten ontsnapt er sissend wat stoom en wordt de gitarist, die het dichts bij het apparaat staat, in nevelen gehuld. Max Masri en Diego Velasquez zijn de grote mannen achter het succes van “Tanghetto.” De uit zes man bestaande groep teert al ruim een jaar op hun zeer succesvolle eerste CD “Emigrante“ bijna tot vervelens toe wat mij betreft. Tijdens de vier optredens die ik de afgelopen twaalf maanden heb bezocht, werd iedere keer opnieuw de muziek van die CD gespeeld. De enige variatie zat in de volgorde. Nu zijn tango’s als “Alexander Platz Tango“ of “Inmigrant“ best het herbeluisteren waard, maar ik ben juist zo nieuwsgierig naar nieuwe nummers. Vanavond word ik op mijn wenken bediend met een paar nummers van de net uitgebrachte CD “HybridTango” die jammer genoeg hetzelfde saaiheidgehalte hebben als de muziek van “San Telmo Lounge.” Na deze afknapper is mijn laatste hoop is gevestigd op “Narcotango” onder leiding van Carlos Lidedinsky. Daar herinner ik me een heel mooi optreden van, een jaar geleden tijdens het vorige Tangofestival. Op één nummer na, opnieuw een herhalingsoefening. Carlos heeft zo te zien behoorlijk last van de mistmachine en is vrijwel het hele ontevreden over het werk van de geluidsmannen. Gelukkig improviseren de percussie en de drummer er lekker luidruchtig op los. Terwijl ik een bijzondere avond had verwacht, waren het helaas niet meer dan in nevel gehulde tango’s. Donderdagavond, 3 maart 2005. Het is zomers warm in Buenos Aires, dat wil zeggen een stuk warmer dan de gemiddelde porteño prettig vindt. Dat is de schuld van de hoge luchtvochtigheidsgraad die de gevoelstemperatuur opdrijft naar een onaangename hoogte. Daardoor komt het tangoconcert in de open lucht op iets meer dan honderd meter van mijn appartement erg goed uit. Geen reis met de zweterige ondergrondse naar “El Dorrego” en daar dan maar afwachten wanneer de artiesten even tijd hebben voor hun optreden. De officiële aanvangstijd is in Buenos Aires vaak niet meer dan een indicatie van het moment waarop het podium in gereedheid wordt gebracht. Daar op rekenen en gewoon wat later komen, loopt steevast verkeerd af omdat juist dan alles toevallig precies op tijd begint. Het concert van vanavond valt gelukkig in de laatste categorie. Onder de luifel van het eens zo deftige, maar al jaren gesloten warenhuis Harrods in de deftige winkelstraat Florída, speelt het deftige Symfonieorkest van de Stad Buenos Aires deftige tango’s. Die plek ligt in de loop naar het station van Retiro en trekt zodoende vrijwel automatisch veel publiek. Het is een zomeravondconcert met een formeel randje. De dirigent keurig in een licht pak, de orkestleden in bloesjes of hemdsmouwen, slechts een paar orkestleden hebben de moed gehad om hun mouwen op te rollen voor dit karwei. Alle nummers worden keurig met een korte toelichting aangekondigd, zo gaat dat in Buenos Aires!. Op die manier kom ik eindelijk te weten hoe de tango “la Cumparsita” aan haar naam komt en dat dit de meest gespeelde tango aller tijden is. En hoe een jonge componist in Montevideo de muziek voor een habbekrats verkocht om jaren later tot de ontdekking te komen dat hij een goudmijn had weg gegeven. Na tientallen jaren procederen, werd een regeling getroffen en werd hij alsnog rijk. Het orkest neemt het publiek mee op een reis door de tijd. Van de aalervroegste tango’s, via Carlos Gardel tot en met de composities van Astor Piazzolla. “Otra, otra!” roept het publiek. Volgens de ceremoniemeesteres zit er helaas geen toegift in, omdat het donker begint te worden, hetgeen de musici verhindert hun bladmuziek te lezen! Een deftig excuus aan het eind van een avond met klassiek gearrangeerde en daardoor zeer deftig klinkende tango’s. Vrijdagavond, 4 maart 2005. Als ik na gedane arbeid naar huis wandel, speelt onder dezelfde Harrods luifel het “Orquesta Típica Imperial.” Hun optreden staat niet in het officiële programma, des te leuker. Ook dit orkest heb ik als eens eerder zien optreden. Mijn geliefde was toen zeer onder de indruk van het feit dat, net als vandaag, een van de bandoneonspelers een vrouw was, iets dat we toen voor het eerst zagen. In mijn herinnering waren het er zelfs twee. Het ziet er vandaag een stuk minder deftig uit dan bij de symfonie van gisteren. De orkestleden zijn gekleed in een allegaartje van vrijetijdskleding, de piano dreigt van ellende uit elkaar te vallen en wordt zo te zien slechts door het grote groene spandoek met de naam van het orkest erop bij elkaar gehouden. Aan de voeten van de bandoneonspelers staat een open vioolkist, waarin het publiek een bijdragen kan gooien, en de voor de verkoop bestemde CD “La Máquina Tanguera - de Tangomachine.” Het orkest speelt in de “verplichte” opstelling van een “orquesta típica” met op de achterste rij vier violen, daarvoor drie bandoneons, piano aan de linkerzijde, bas aan de rechter. Als ze hun tango’s spelen, vergeet je onmiddellijk de lullige omstandigheden waaronder wordt gewerkt. Het orkest is perfect ingespeeld, het is inderdaad een goed geoliede tangomachine. Na iedere zeven nummers of zo wordt een slimme korte pauze ingelast die er voor zorgt dat een deel van het publiek geld in de vioolkist gooit of een CD koopt en vervolgens doorloopt. Zodra ze opnieuw gaan spelen, vormt zich een nieuw publiek, enzovoort. Ik maak van de gelegenheid gebruik om een kort gesprek aan te knopen met Matilde Vitullo, de eerste bandoneón. Zij bevestigt dat het orkest zelfs drie vrouwelijke bandoneonspelers heeft, maar dat er een net is bevallen en een andere zwanger is en daarom vandaag niet meespeelt. “Waarom spelen jullie eigenlijk op straat?” informeer ik. Kort samengevat is dat uit economische noodzaak. Ze hebben gewoonweg te weinig optredens, omdat er voor een orkest dat uit 10 muzikanten bestaat er veel te weinig gelegenheden zijn om op te getreden. Door op straat te spelen, bereiken ze een heel gemengd publiek, halen geld op, verkopen hun CD en scharrelen hun kostje bij elkaar. Genoeg gekletst, tijd voor de volgende zeven tango’s. Straattango’s dus. Zondagavond, 6 maart 2005. “Stonk hij niet naar “naftalinas mottenballen?” vraagt een collega als ik vertel dat het orkest van Leopoldo Federico optrad op de slotavond van het Tangofestival. Dat is “poteño” als het over een wat oudere medeburger gaat. De 78 jarige virtuoze bandoneonspeler, componist en orkestleider is een echte oude rot in het vak, die de afgelopen zestig jaar met vrijwel alle groten van de tango op het podium heeft gestaan. De meeste, zo niet alle leden van zijn orkest waren nog niet eens geboren toen Federico al op de bühne stond. Het orkest speelt in rap tempo het repertoire waarvoor de fans zijn gekomen. Dat leidt ik althans af uit de enthousiaste reactie van het oudere publiek waar ik vanavond tussen sta. Het is “maestro” voor en “maestro” na, en na ieder nummer klinkt een veel te lang en veel te uitbundig applaus. “Tango puro, Meastro!” schreeuwt de man naast me na haast ieder nummer. Wat mij betreft komt daar alleen de mooie uitvoering van “Adíos Nonino” voor in aanmerking, een eerbewijs aan Piazzolla in wiens fameuze octet Federico bijna vijftig jaar geleden heeft gespeeld. Jammer dat dit orkest niet op de eerste avond heeft gespeeld en Bajofondo Tangoclub op de slotavond. Dit jaar loop ik echt met het gevoel het beste optreden op de eerste avond te hebben gezien. Maar wie ben ik, voor de liefhebbers van de wat klassiekere tango is dit immers pure tango’s? Maandagmiddag, 7 maart 2005. Het Tangofestival zit er officieel op. Het is tijd voor wat aprës-festival tango om acute ontwenningsverschijnselen te voorkomen na meer dan een week met iedere avond tango. Het regent in Buenos Aires, het koelt eindelijk iets af. In de lunchpauze loop ik met een aan tangomuziek verslingerde collega naar de studio van “La Radio Nacional Argentina.” In het grote auditorium gaat het “Orquesta Típica Imperial” een radioprogramma opnemen. Op de studiotrappen komen we Matilde, de eerste bandoneon, tegen die in het voorbijgaan een paar woorden met mij wisselt. Mijn in Buenos Aires geboren en getogen collega is ietwat jaloers dat er met mij wordt gekletst, een buitenstaander, een indringer haast en niet met haar. Ik heb er binnenpretjes over. Uiteraard begint de voor één uur geplande opname te laat. Pas tegen kwart over één arriveert de violiste Karina Martinelli als laatste, met de regen als excuus. De musici bespreken wat ze gaan spelen en leggen de bladmuziek op volgorde. Het kan hier niet schelen hoe lang orkesten al met elkaar spelen, niemand speelt de muziek uit het hoofd. Vanaf de voorste rij hoor ik dat ze “Ventarrón” uit het programma willen schrappen en protesteer. Matilde kijkt me aan, lacht en besluit ”OK, Ventarrón blijft er dus in, we schrappen wat anders!” Muy Buenos Aires, zo gaat dat in Buenos Aires! De presentator is blij verrast met de dertig of zo aanwezigen “normaal zijn het er minder dan tien.” Normaal is het dan ook een jazzuitzending waarin “Imperial” dankzij het tangofestival als gasten optreden. Vandaag zijn Eva Wolff en Alfredo Piro erbij, bandoneón en voz - zang. Eva is zo te zien behoorlijk zwanger, maar dat belemmert haar niet er stevig tegen aan te gaan en zelfs een speciaal voor haar ongeboren baby gecomponeerde tango te spelen. Alfredo Piro is een echt tangokind. Zijn vader, Osvaldo Piro, was een bekend bandoneonspeler en orkestleider. Zijn moeder, Susana Rinaldi, is een actrice die tijdens haar ballingschap in Parijs tijdens de militaire dictatuur om den brode tangozangeres werd en bleef. Met een zeer gepijnigde uitdrukking op zijn gezicht zingt Alfredo een mooie “Ventarrón.” Na “Imperial” wordt er “Franse jazz door de Hotclub de Boedo” aangekondigd: Dat laten we schieten, de plicht roept weer na deze arbeidsvitaminentango. Dinsdagavond, 8 maart 2005. Het “Octeto San Telmo” heeft een drastische verjongingskuur ondergaan sinds ik het nog niet zo lang geleden op de televisie zag optreden, uiteraard was dat bij “Solo Tango.” De middelbare mannelijke violisten zijn vervangen door jonge vrouwen, en de pianist en bassist door veel jongere heren. Met jeugdig elan worden opgewekte allerdaagse tango’s gespeeld in het café theatertje van het Culturele Centrum van de Coöperatie. Na tien dagen tango begin ik tangodoofheid te lijden, het wordt de hoogste tijd om Buenos Aires een paar weken de rug toe te keren. Voor alle zekerheid stop ik voor onderweg een stuk of tien tango CD’s in mijn rugzak. Je weet uiteindelijk maar nooit hoe die nog te pas kunnen komen. Slot. |