|
FILMFESTIVAL (22042005) Het leven in Buenos Aires kan af en toe knap vermoeiend zijn. Vooral als de zomervakantie er weer op zit en het nieuwe culturele seizoen begint. Het ene festival is nog niet afgesloten of het volgende begint. Na het Tangofestival in maart, is het in april de beurt aan het “7e Internationale Festival van de Onafhankelijk Film.“ Twee weken lang tientallen films per dag, van 11 uur ’s ochtends tot na middernacht. Tussen de films door moet er zo nu en dan wat tijd worden vrij gemaakt om te eten en te drinken, om te werken en te rusten. Aan het eind van zo’n festival ben ik soms bekaf en opgelucht dat ik eens even nergens naar toe hoef. Om te voorkomen te vaak een verkeerde film te zien of dagen achtereen veel te laat naar bed te gaan, is een goede programmering onontbeerlijk. Te weinig slaap leidt tot een toenemend gevoel van vermoeidheid, tot veelvuldig gapen of zelfs tot knikkebollen tijdens een wat saaiere film. Zo maar naar de bioscoop gaan met als enig argument dat het misschien wel leuk is om in Buenos Aires een Nederlandse film te zien, is niet erg slim. Nooit van Frank Scheffers of zijn film “Tea” gehoord, maar wie weet is het wel wat. De documentaire heeft de opera “Tea” van de componist Tan Dun als onderwerp. Prachtige beelden uit China, waar Tan Dun in 1957 werd geboren, van een thee drinkende boerenfamilie, van theeplantages, van een Japanse theeceremonie, van ruisende beekjes en kletterende watervallen. Tan Dun vertelt over het eeuwenoude Chinese liefdesdrama waarop zijn opera is gebaseerd, over de Japanse prins die verliefd wordt op een Chinese prinses. Over het belang van het thee drinken in zowel de Chinese sociale context als in de Japanse, over de combinatie van westerse en oosterse muziek in zijn composities en verder hij lult een verschrikkelijk eind weg over sjamanisme en Jing en Jang. De librettist Xu Ching vertelt over het op Wajang lijkende klassieke Chinese poppentheater, over het “Boek van de Thee” een kostbaar boek waarin het geheim van het leven zou staan. Pierre Audi legt uit hoe goed de muziek van Tan Dun wel niet is. Dat alles wordt continu afgewisseld met fragmenten uit de opera en met veel organische muziek, het handelsmerk van Tan Dun. Het heeft wel wat, dat ritmische geklets van stenen, het scheuren van papier, het druppelen van water of het gebruik van ceramische potten als muziekinstrument. Dat laatste ken ik goed uit West Afrika en vind het daardoor bij lange na niet zo inventief als wordt gesuggereerd. De muziek staat keihard, mijn buurman houdt steeds vaker zijn handen voor zijn oren. Het grootste deel van het publiek vindt de film niet om aan te zien of aan te horen en verlaat de zaal voortijdig. Met een kater van de thee bedenk ik, zelfs zonder er een drup van te hebben gedronken. Vermomd als geroutineerd festivalganger - jeans, T-shirt en gympen, morgen niet vergeten een slap rugzakje om te hangen - ga ik vol goede moed naar een programma van zes films dat werd samengesteld door Amos Vogel. Uit de veelheid aan informatie op het internet blijkt dat Vogel een filmfestivalfenomeen is. Doorgewinterde cinefielen schijnen te smullen van zijn werk en zijn ideeën. De in 1922 in Wenen geboren Vogel vluchtte in 1938, het jaar van de “anschluss” van Oostenrijk, naar de Verenigde Staten. In 1947 richtte hij in New York “Cinema 16” op, een filmhuis voordat de filmhuizen waren uitgevonden. Daar programmeerde hij avant-garde films, onafhankelijke films, experimentele animatiefilms en documentaires die vrijwel nergens aan bod kwamen. Dat kan ik me levendig voorstellen na het zien van “La sang des bêtes“ een superrealistische documentaire uit 1949 over de abattoirs van de Parijse wijk la Villette. Toen de film werd gedraaid, waren die al zo’n 90 jaar oud en lag la Villette nog aan de rand van de stad. Vanaf de aankomst te voet van de paarden, koeien, kalveren, varkens en schapen wordt het hele sadistische en bloederige slachtproces breed uit gemeten. De zwart-wit beelden jagen de helft van het publiek in minder dan geen tijd kokhalzend de zaal uit, stel je voor wat er zou zijn gebeurd als het een kleurenfilm was geweest. Gekke beelden ook wel, zoals de schapen die één voor één op hun rug op een lange tafel worden gelegd waarna de keel met een kapmes wordt doorgesneden. Terwijl het lichaam leegbloedt, trappen de benen ritmisch in de lucht totdat het leven verdwijnt, haast komische beelden van tragische dans. Ondertussen roken de slachters een Gauloise, drinken koffie en zingen vrolijk mee met “la Mer” van Charles Trenet. De docudrama “Bosques” laat confronterende beelden zien van de onderkant van de Argentijnse samenleving getoond. Beelden van de leegheid van het bestaan in een “villa” een sloppenwijk aan de rand van Buenos Aires. Van werklozen zonder uitzicht op werk, van vlugge primitieve seks, van zeer gewelddadige buurten waar het recht van de sterkste heerst. Beelden uit een wereld waarvan de Argentijnse middenklasse geen weet heeft en liever ook niet wil hebben. Het verbaast me niet dat er nauwelijks publiek in de zaal zit. Min of meer hetzelfde thema wordt behandeld in de “Caso Cañete - de zaak Cañete” waarin aan de hand van een serie interviews het veel te korte leven van Rubén Cañete wordt gereconstrueerd. Het is een bittere aanklacht tegen een maatschappij die niet in staat is een toekomst te bieden aan jongeren aan de rand van de samenleving. Cañete zat vanaf zijn vroegste jeugd in het tuchthuis of de jeugdgevangenis en vanaf zijn veertiende in de echte gevangenis. Op zijn twintigste pleegde hij zelfmoord. Volgens de regisseuse is minstens de helft van de Argentijnse jeugd net zo kansarm als Canñete. Dat belooft wat voor de toekomst! Tot slot ga ik morgen naar “Si sos brujos“ een veel geprezen documentaire over de tango, die laat zien hoe de oude garde de geheimen van het vak overdraagt aan een nieuwe generatie musici. Na dit voor mij laatste “EINDE” van het festival ga ik minstens een hele week nergens naar toe. Heerlijk lijkt me dat |