DE SCALA VAN RIO (13072005)

De ene Scala is de andere niet. Zo lijkt de Scala van Rio de Janeiro in de verste verte niet op die van Milaan. In beide wordt weliswaar muziek gemaakt, maar iedere andere vergelijking gaat mank. De keren dat ik in Milaan ben geweest, was als transitpassagier op het vliegveld Malpensa. Verder ben ik nooit gekomen. Toch kan ik me een goede voorstelling maken van hoe het “Teatra alla Scala” zoals de klassieke muziektempel officieel heet, er van binnen uit moet zien. Dat is te danken aan het “Teatro Colón” in Buenos Aires waarvan het ontwerp op dat van de Scala zou zijn gebaseerd. Volgens de Argentijnen is de akoestiek van het Colón echter stukken beter. Enig chauvinisme is nooit weg.

Wie in Rio naar de opera wil, gaat naar het Theatro Municipal. Het gebouw staat aan de Praça Floriano in het oude entrum. In het deel van de stad dat de cariocas Cinelâdia noemen. Het zou een getrouwe kopie zijn van de Opéra Garnier, de Opera van Parijs. Aan die ene keer dat ik er ben geweest, bewaar ik erg goede herinneringen. Een oud president-directeur van mijn Braziliaanse werkgever was een groot liefhebber van beeldende kunst, van muziek, van modern ballet. Met het geld van het bedrijf hing hij de mecenas uit. De schilderijen die hij van Braziliaanse kunstenaars kocht, sieren nog steeds de wanden van het kantoor. Minder zichtbaar zijn de sporen van de jarenlange steun aan de balletgroep Grupo Corpo. Ballet is nu eenmaal vluchtiger dan olieverf. Grupo Corpo maakte met dat geld boeiende balletten op verassende muziek. Nadat de gulle president het bedrijf had verlaten en er al veel te lang nauwelijks geld was verdiend, droogde de geldstroom voor modern ballet op. Als dank voor de laatste bijdrage die Grupo Corpo ontving, mochten mijn collega´s en ik naar het ballet “Benguelê” in het Theatro Municipal komen kijken. Het woord “benquelê” zou het verlangen van de Braziliaanse negerslaven naar de vruchtbare grond van het verre en vrije Afrika beschrijven Naar het Koninkrijk Benguela in Angola. Als blanke loonslaaf was ik net vrijwillig - en op een heel wat prettiger manier - van Afrika naar Brazilië verhuisd. Af en toe had ik een licht gevoel van heiwee, zoals die avond in het Theatro Municipal. De muziek van João Bosco die ik er hoorde, een fusie van stoere Afrikaanse en soepele Braziliaanse ritmes, speelt nu nog regelmatig door mijn hoofd.

Dagenlang met collega’s in een duffe vergaderzaal opgesloten te moeten zitten, is niet mijn meest geliefde tijdverdrijf. Toch maar doorbijten, want zo wordt het geld verdiend waarmee de rekeningen kunnen worden betaald. Na twee dagen mag er ’s avonds wat worden ontspannen. Er staat een “diner met sambashow” op de agenda. “Plataforma?” vraag ik aan de organisator, nee we gaan naar de concurrent Scala. Beide zijn gevestigd in het stadsdeel Leblon op loopafstand van het appartement waar ik een paar jaar heb gewoond. In die tijd heb ik er nooit een voet over de drempel gezet, dat was iets voor onschuldige toeristen of eens per jaar voor het grote homo carnavalsbal. De Scala van Rio ligt in een beetje obscure hoek van de overigens welvarende wijk. Om de hoek is een tot favela vervallen sociaal project van Dom Hélder Câmara die vond dat minder bedeelden net zo goed het recht hadden om in een “dure” wijk te wonen. Het gebouw ziet er uit als een fabriekshal van een bedrijf dat op het punt staat failliet te gaan. Rond 1990 ben ik er als onschuldige toerist eens geweest, vijftien jaar later ziet het voor mijn gevoel nog precies hetzelfde uit. Behoorlijk verlopen.

Wat ze in de Scala doen, is wat in Buenos Aires “desplumar los turistas” heet oftewel “toeristen uitkleden.” Vanaf de eerste seconde dat je er binnen bent tot aan het moment dat je weer naar buiten gaat. Als ons gezelschap om een uur of negen aan een lange tafel schuift, is de grote ruimte verder nog helemaal leeg. De zaal is uiterst goedkoop ingericht. Afgedankte kantoorstoelen als zetels, terwijl de vloer is bedekt met tapijttegels die hun beste tijd al een paar keer hebben gehad. De “batida” die ik als aperitief drink, in een echte bar een lekker Braziliaans drankje met een hoog alcoholgehalte, is niet te zuipen. Spijt als haren op mijn hoofd dat ik geen caipirinha heb besteld, daar valt veel minder aan te verzieken. Het menu mogen we voor de vorm inkijken, want de keuze is beperkt tot twee voorgerechten en twee hoofdgerechten. Goed dat ik een stevig gebit en een sterke maag heb. Dit is natuurlijk ook geen plek waar je naar toe moet gaan om eens lekker uit eten te gaan. Alle andere, waarschijnlijk stukken beter geïnformeerde, bezoekers komen pas vlak voor de show begint binnen.

Twee mooie meiden paaien de bezoekers voor een foto op de bühne. Nee een foto met uw eigen camera is niet toegestaan, wij hebben onze eigen fotograaf van wie u de foto zo meteen kunt kopen. Er wordt geleurd met als souvenir bedoelde programmaboekjes, met carnavalsmaskers, met compact disks, met veel te dure drankjes. Ondertussen wordt er op het podium door soms bloedmooie en steeds schaars geklede meiden en mooie jongens lambada, samba, Afrikaans, Indiaans en wat dies meer zij gedanst. Wordt capoeira gedemonstreerd, wordt de legendarische filmster Carmen Miranda geïmiteerd en treedt er ene Johnny Gaucho (spreek uit Ga-ucho) op die, omdat hij het zo onverbloemd uitstraalt, wordt omgedoopt tot Johnny Gay-ucho. Dan gebeurt er iets waar ik een bloedhekel aan heb. Voordat de show begon, liep er een mannetje ijverig ieders nationaliteit te noteren. Die worden nu afgeroepen om op het podium een dansje te komen maken. “Holland” wordt er wel een keer of vijf geroepen, ik blijf zitten waar ik zit en verroer me niet. Uiteindelijk ben ik hier voor mijn werk en niet voor mijn plezier. Als slotnummer, hoe kan het anders, het “Carnaval Carioca.” Polonaise en meer van dat verschrikkelijks. Een Braziliaanse collega biedt me gelukkig een lift naar mijn hotel aan, wat mij betreft het hoogtepunt van de avond.