PROVINCIAALS (20072005)

“Niet aanraken” staat er voor de vier uit steen gehakte doodskoppen. Kan me nauwelijks voorstellen dat iemand er behoefte aan zou kunnen hebben om zo’n SS doodskop over z’n bol te aaien. Maar in Buenos Aires weet je zoiets nooit. De oorlogsmisdadiger Adolf Eichmann kon jarenlang ongestoord in de stad leven totdat hij op 11 mei 1960 door de Israëlische geheime dienst werd ontvoerd. Daarvoor had hij rustig de tijd genomen om zijn levensverhaal aan de Nederlandse SS-er Willem Sassen te vertellen, die legde het allemaal keurig op de band vast. Sassen, ooit oorlogsverslaggever voor de SS aan het Oostfront en tegen het einde van de oorlog voor korte tijd hoofdredacteur van de Telegraaf, woonde toen ook in Buenos Aires. Naar verluidt zou Sassen transcripties van de gesprekken voor een stevige prijs aan een aantal tijdschriften én aan de Israëliërs hebben verkocht. Zo gaan Alte Kameraden dus met elkaar om. De journalist Roelf van Til maakte een documentaire over deze relatie die precies 45 jaar na de ontvoering van Eichmann, op de Nederlandse televisie werd uitgezonden.

Een jaar of wat geleden ging ik met een paar logees naar het Duitse deel van de begraafplaats van Chacarita aan de rand van Buenos Aires. Hij, van Duitse afkomst, wilde graag weten of er wellicht familieleden in Argentinië lagen begraven. Voor zover ik het mij herinner heette zijn grootmoeder “Wesselau.” Die naam kwam niet voor in het register van de begraafplaats, er stond wel een “Wessel” in. Het zien daarvan was voor de behulpzame man van de administratie genoeg om spontaan het “Horst Wessellied” aan te heffen. “Die Fahne hoch! Die Reihen fest geschlossen! S.A. marschiert mit mutig festem Schritt!“ Ik kon mijn oren niet geloven daar op de Deutscher Friedhof. Verontschuldigend vertelde hij het lied als jongen op een Duitse lagere school in Buenos Aires te hebben geleerd. De logees waren te jong om te weten wat het lied voor beladen betekenis had. Als oudere jongere praatte ik ze op de weg terug naar huis maar even bij. Zulke doodskoppen dus. Toen de kunstenares de smaak van het werken met doodskoppen eenmaal te pakken had, maakte ze er eerst een heleboel van plastic die ze aan een soort totempaal spijkerde. Daarna waren echte koeienschedels aan de beurt, die met een lampje op de plaats van de hersens op een blauwe achtergrond werden gemonteerd. Welkom bij de tentoonstelling van gezellige kunst uit de provincie in een grote wereldstad.

Zowat veertig procent van de Argentijnse bevolking woont in en rond Buenos Aires, de rest woont in “el interior - in de provincie.” Dat zijn er meer dan in Nederland en Vlaanderen samen. In Buenos Aires wordt een stad als Rosario, waar ongeveer anderhalf miljoen mensen wonen, ietwat minachtend een “provincieplaats” genoemd. Alsof men het over een willekeurig dorp in de Peel of de Achterhoek heeft. Kunstenaars uit de provincie komen nauwelijks aan bod in de hoofdstad, de oliemaatschappij YPF-Repsol en het Culturele Centrum van Recoleta vonden dat dit hoognodig moest veranderen en organiseerden “Argentina Pinta Bien.” In mijn vrije vertaling wordt dat “Argentinië schildert er lustig op los.” Niet minder dan 650 werkstukken van 244 beeldende kunstenaars uit zes provincies mogen hun kunst en kunstjes vertonen in het Culturele Centrum. De doodskoppen zijn nog maar het begin.

De curatoren van het Culturele Centrum vermoeden dat er een zekere samenhang zou bestaan tussen het werk van de kunstenaars en de provincie waaruit ze afkomstig zijn. De spijker op zijn kop wat betreft Ruth Viegener, de mevrouw van de doodshoofden en schedels. Zij woont in de stad San Carlos de Bariloche in de provincie Río Negro. Het landschap daar lijkt nogal op Beieren, evenals de architectuur van veel huizen. Volgens de Groene Amsterdammer is de sfeer er “Tirools-Teutoons” mede dankzij de vele uit Europa gevluchte Nazi’s die zich hier na de Tweede Wereldoorlog vestigden. De kunst uit Mendoza, de provincie waar de heerlijkste Argentijnse wijnen vandaan komen, wordt wat fantasieloos als de “kunst van de wijngaarden” beschreven. Het “conceptuele fetisjisme” zou echter aan de lokale kunstenaars zijn voorbij gegaan. Joost mag weten wat dat betekent. Degene die het heeft geschreven, had zeker net een glas teveel van het rode goedje uit Mendoza gedronken. In mijn ogen is het allemaal een pot nat, ongeacht in welke provincie de kunstenaar woont.

Veel houtsnijwerk: kruisbeelden, poppen van bielzen, opengewerkte boomstammen. Een collage van afgedankt speelgoed en een versleten borstel is tot “Paard van Troje” gepromoveerd. In perspex gegoten overbodig gereedschap, bij de bouwmarkt gekochte aan elkaar geschroefde plastic pijpen die tot het kunstwerk “Interiores” zijn gebombardeerd. Even overweeg ik de muren van mijn nieuwe badkamer te bekleden met een tegeltableau van licht pornografische afbeeldingen. Toch maar niet, te kinderachtig, net zoals de poedelnaakte vrouw die zich boven op een op een wastafel zit te wassen. “Quién vuelve - Wie volgt” valt ook af. In deze boven een spiegel gemonteerde douchekop gaat een lampje branden als je op de weegschaal stapt die eronder staat. De stapeling van golfplaten die ernaast ligt, de verzameling grote keien met wieltjes eronder, de paspop met in haar uitgezaagde buikholte een vogelkooitje, de enorme bidsprinkhaan, de jurk die zo te zien is gemaakt van zakjes die zijn gevuld met bloedplasma, er is niets dat me echt bekoort. Ik loop nog een keer alle 650 tentoongestelde werken langs om te zien of er dan echt helemaal niets is dat ik graag zou willen hebben. Korte twijfel voordat ook het schilderij van de processie van de “Maagd van Rosario” wordt afgekeurd. Zodoende blijkt dat mijn vertaling van “Argentina pinta bien” in “Argentinië schildert er lustig op los” wat slordig was, het had eigenlijk “Argentinië kliedert er maar wat op los” moeten zijn.