DE ERFGENAMEN VAN OSVALDO PUGLIESE (16122005)

Kunnen ongelovige aanhangers van het communisme heilig worden verklaard? In Argentinië is dat, de bij tangoliefhebbers legendarische pianist, componist en orkestleider, Osvaldo Pugliese overkomen. Zo was ik er tijdens de viering van zijn 100ste geboortedag op 2 december 2005 getuige van dat de presentator van een muzikaal eerbewijs een bidprentje van San Pugliese uit zijn portemonnee haalde en hem drie keer aanriep om de avond voorspoedig te laten verlopen. Het bijgeloof wil dat door “Pugliese, pugliese, pugliese” te zeggen én gelijktijdig aan hem denken, geluk brengt. Minder dan drie keer brengt daarentegen ongeluk. Het publiek vindt het doodnormaal. Een van de aanwezigen zeurt net zo lang om hem het bidprentje te geven tot de presentator overstag gaat. Dat was in Villa Crespo, het stadsdeel van Buenos Aires waar San Pugliese werd geboren.

Pugliese is door de stadsregering van Buenos Aires bureaucratisch en op een koopje in het zonnetje gezet. Met decreet 423 werd 2005 tot het “Osvaldo Pugliesejaar” uitgeroepen. Met Wet nummer 24.941 werd verordonneerd dat er een monument voor Pugliese moest worden opgericht. Geld werd daarvoor niet beschikbaar gesteld, wel een stukje gemeentegrond in Villa Crespo, op de kruising van de Avenida Corrientes en Luis Maria Dragostraat. Op 25 juli 2005, zijn 10e sterfdag, werd daar een kleine bronzen buste onthuld: Op 2 december 2005, zijn 100ste geboortedag, werd er een potsierlijk orkest aan toegevoegd. Het bestaat uit een rijtje musicerende poppen met Pugliese aan het hoofd. Uitgedost met zijn karakteristieke grote bril en een rode anjer op de piano, dat wel. Die rode anjer heeft een speciale betekenis. Pugliese was overtuigd communist en werd vanwege die overtuiging regelmatig achter slot en grendel gezet. Zowel door Perón, die naderhand zijn verontschuldigingen aanbood, als door de militairen. Pugliese vond dat zijn orkest gewoon moest doorspelen als hij weer eens gedwongen afwezig was. Dan legden zijn collega’s een rode anjer op het toetsenbord van de piano en droegen een rode anjer in het knoopgat van hun colbert. Het orkest was overigens op coöperatieve leest geschoeid, alle leden deelden in min of meer gelijke mate in de gages. Net als Diego Maradona tegenwoordig, was Pugliese een bewonderaar van Fidel Castro en componeerde tijdens een rustig uurtje in de petoet “Milonga para Fidel” voor hem. Op zijn beurt heeft de Nederlandse Pugliesediscipel Carel Kraayenhof de tango “Clavel Roja - Rode Anjer” aan Pugliese opgedragen.

Pugliese was een zeer bescheiden man. “Profeta yo? ¡No! - Ik een profeet? Geen denken aan! Ik ben een gewone arbeider. Ik stel niets voor. ik ben nier meer dan een schroefje in de tangomachine!” Carel Kraayenhof, de bandoneonist die tijdens het huwelijk van Willem A. en Máxima Z. “Adiós Nonino” speelde, herhaalt die uitspraak tijdens alle drie optredens van zijn Sexteto Canyengue waar ik in de herdenkingsweek naar toe ga. Kraayenhof was en is kind aan huis bij de familie Pugliese. “Sinds ik hen leerde kennen en in Buenos Aires op bezoek kom, kom voel ik me net hun kleinzoon!” bekende hij eens in een televisie interview. Carel schaamt zich allerminst voor om zichzelf als een “Pugliese groupie” te beschrijven. Zo volgde hij Pugliese en zijn orkest op een tournee door Europa en deed er van alles en nog wat aan om zoveel mogelijk van de oude meester en zijn mannen over de tango te leren.

Kraayenhof koketteert wel wat met zijn vriendschappelijke banden met de oude meester, maar de liefde kwam en komt van twee kanten. Sexteto Canyengue speelt in de herdenkingsweek voor Pugliese op uitnodiging van diens weduwe, Kraayenhof komt uitgebreid aan het woord in het herdenkingsboek voor Pugliese en wordt in Argentinië gezien als een waardig navolger van Pugliese’s muzikale stijl. Hij kreeg Pugliese tegen het eind van zijn leven zelfs zover om de muzikale leiding op zich te nemen van de opleiding “Argentijnse Tango” van het Rotterdamse Conservatorium. Op een kleine tentoonstelling van Pugliese memorabilia hangt een foto van het echtpaar Pugliese voor het oude conservatoriumgebouw die daaraan herinnert. Kraayenhof memoreert hoe Pugliese er eens zijn beroemde “la Yumba” op een Steinway speelde. Een tango die begint met een paar zeer krachtige slagen op de piano. De leraren van de klassieke piano opleiding zouden zich rot zijn geschrokken, omdat ze vreesden dat hun dure concertvleugel naar de andere wereld werd geholpen.

Sexteto Canyengue is het enige tango orkest dat ik ken, waarvan de mannen zich in streepjespakken kleden. Na afloop van hun optreden in het Teatro Presidente Alvear is er volop gelegenheid om op de stoep ervoor met de musici na te praten. Kraayenhof is erg toegankelijk en heeft tijd voor iedereen. Aldus wordt mij uitgelegd dat die pakken hebben te maken met zijn interesse voor de tangohistorie en dat hij bezig is tango’s te componeren in de stijlen van vroeger. Even eerder speelde het sextet nog zijn lekker onthaaste compositie Alma de Tango. “Als je doorgaat in de tijd maak je jezelf werkeloos” zeg ik hem en refereer aan de begintijd van Carlos Gardel toen de begeleiding uit gitaren bestond. Een wat oudere vrouw wil dolgraag met Kraayenhof spreken. Sara Cornejo heet ze, haar vader was musicus en Piazzolla trad als 11 jarige jongen met hem op in New York. Ze heeft daar twee foto’s van waarvan ze er een aan Kraayenhof wil geven omdat hij vanavond als toegift “Adós Nonino” zo mooi heeft gespeeld. “Ik spreek maar heel weinig Engels” vertrouwd ze me toe, maar Carel spreekt heel goed Spaans. Ze praten wat en er wordt een afspraak gemaakt om de foto bij hem te krijgen. Zou het zijn gelukt? Er is jammer genoeg geen gelegenheid meer geweest om dat te vragen.

“Adiós Nonino” werd inderdaad goed gespeeld. Het was de eerste en ook de enige keer dat de bandoneonist opstond, een voet op een stoel zette en de bandoneon op de knie nam. Alle andere keren zat hij ouderwets op een stoel te spelen. Wat ik vooral miste was het mooie piano intro dat Piazzolla er naderhand bij componeerde om te testen of de pianist Dante Amicarelli wel goed genoeg was om samen met hem op te treden. “Als hij het in een keer goed speelt, is hij aangenomen.” Tegen Sebastiaan van Delft, de pianist van Canyengue, zeg ik dat hij toch eens met zijn baas moet praten om dat intro voortaan te mogen spelen. Ietwat sip antwoordt ie dat hij dat tot “het huwelijk” altijd mocht, maar dat sindsdien slechts het “koninklijke arrangement” wordt vertolkt. En de mooie Belgische bandoneonist Eva Wolff is ook al door een kleine blonde Fin vervangen, bedenk ik bitter. Haar zie ik gelukkig nog wel eens in Buenos Aires optreden met het Orquesta Típica Imperial en thuis heb ik de CD van Piazzolla waarop Amicarelli het intro zo virtuoos speelt altijd binnen handbereik.

Behalve Kraayenhof treden er in de week dat de Puliese’s 100ste geboortedag wordt gevierd nog wat andere muzikale erfgenamen Pugliese op. De bandoneonist Roberto Alvarez en zijn orkest Color Tango bijvoorbeeld. Alvarez is Pugliese tot diens laatste snik trouw gebleven en wordt daarvoor door zijn weduwe Lydia beloond. Naar het schijnt heeft ze thuis een la vol met nooit gepubliceerde of uitgevoerde composities. Alvarez werd een kijkje gegund en hij selecteerde en nam een aantal nummers op die tijdens een herdenkingsconcert worden gespeeld. Heel toevallig is de CD “Pugliese Inedito - Pugliese voor de eerste keer” na afloop voor een prikje te koop. Zo’n mooi aandenken kan ik natuurlijk niet laten liggen. De pianiste Beba Pugliese, dochter uit een eerder huwelijk, heeft behoorlijk de pest in dat haar stiefmoeder Roberto Alvarez min of meer tot muzikaal erfgenaam heeft benoemd. In een vraaggesprek zegt ze vele malen te hebben gevraagd of er geen nagelaten materiaal van haar vader was dat zij zou kunnen spelen. Ze had altijd te horen gekregen dat er niets was. Beba zou ook niet zijn uitgenodigd voor een aantal herdenkingsbijeenkomsten, maar op haar vaders 100ste geboortedag speelt ze wel, en hoe. Ze heeft een opleiding voor concertpianiste gevolgd, maar het bloed kroop waar het niet mocht gaan, dus speelt ze tango. Toevallig zie ik op de televisie dat haar dochter Carla hetzelfde is overkomen. Beba speelt de tango in de traditie van haar vader, Pugliese’s kleindochter experimenteert met haar eigen orkest en doet mee aan het Malevo Sound Project dat ontspannen elektronische tango’s met een verrukkelijk hoog chillgehalte speelt.

Een andere erfgenaam is de violist en bandoneonist Emilio Balcarce, die twintig jaar in het orkest van Pugliese heeft gespeeld voordat hij voor zichzelf begon. Eerder dit jaar zag ik een mooie documentaire over hoe de bijna 88 jarige musicus werd omgepraat om de leiding van het “Orquesta Escuela de Tango - het Orkest van de Tangoschool” op zich te nemen. De school is een idee van Ignacia Varchausky, de bassist van het orkest El Arranque, die oude rotten in het tangovak de traditionele speeltechnieken wilde laten overdragen aan de nieuwe generatie tangomusici. Dit gebeurt sinds het jaar 2000 tijdens een cursus van een jaar. Gedurende dat jaar vormen de leerlingen, allen al professionele muzikanten, het “Orquesta Escuela de Tango” uiteraard een orquesta típica, een orkest met de traditionele bezetting uit de gloriejaren van de tango. De titel van die documentaire was “Si sos brujos” wat ook de titel is van een van de eerste composities van Balcarce. Zeer toepasselijk verwijst het naar iemand die een heksentoer uithaalt, het bijna onmogelijke doet. Balcarce en het orkest musiceren in Villa Crespo op de 100ste geboortedag van Pugliese, waar tussen de nummers door herinneringen worden opgehaald. Toen Balcarce aan Pugliese vertelde dat hij bijna klaar was met het componeren van een tango, had die gereageerd met dat die dan “Si sos brujo” moest gaan heten en aldus geschiedde. Waarna het nummer wordt gespeeld.

Anderen die “Si sos brujo” op hun repertoire hebben staan hebben staan is het Orquesta Típica Fernandez Fierro. Een zooitje ongeregeld als ze het podium ziet opstruinen. Jonge dertigers gekleed in afgedragen spijkerbroeken, verwassen T-shirts in nog net opgewekte kleuren en gympen, met lange ongekamde haren, wilde baarden en rastakapsels. Twee weken na het optreden van de strak in het pak zittende en keurig gekapte Pugliese navolgers Color Tango en Secteto Canyenge staat dit orkest op het podium van de tot niets inspirerende grote zaal van het Centro Cultural General San Martín. De in conservatief tangozwart en grijs geklede spreekstalmeester, het tango orakel van de stad, waarschuwt het publiek in de afgeladen zaal om vooral niet op het uiterlijk te letten. Dat het bij de tango niet, zoals sommige ouderwetse fanaten volhouden, om nette pakken of goed gekamde haren gaat. Zijn woorden zijn bedoeld voor de aanwezigen die het orkest voor het eerst komen beluisteren wat gerust te stellen. Daarna verklaart hij op besliste toon en met gezag Fernadez Fierro tot de enige echte hedendaagse erfgenamen van de muzikale traditie van Osvaldo Pugliesee. Als het orkest begint te spelen vergeet je de bewust slordige kleding, de haarstijlen en de “decoratie” van het podium. Die bestaat uit werk in uitvoering borden, maximum snelheidborden, roodwitte afbakeningslinten en oranje verkeerskegels. Een stille, maar duidelijke boodschap aan de fans dat de door de gemeente gedwongen verbouwing van het “clubhuis” van het orkest nog niet klaar is. Nadat een jaar geleden bij een grote discobrand in Buenos Aires 200 doden vielen, werd het gesloten omdat het niet aan de veiligheidseisen voldeed. Het orkest, vier bandoneons, vier violen, cello, bas, piano en stem, speelt de sterren van de hemel. Wat een energie, wat een dynamiek, wat een enthousiasme. De stem, Walter “el Chino” Laborde, heeft een korte broek en rode gympen aan, het maakt geen moer uit, het gaat uiteindelijk om zijn stem, om zijn voortreffelijke voordracht. Hier wordt pure de pan uit swingende en toch heel traditionele tango gespeeld. Het dolenthousiaste publiek eist én krijgt drie toegiften. In het hiernamaals heeft San Pugliese ongetwijfeld tevreden vastgesteld dat hij zich, dankzij al die getalenteerde erfgenamen, geen enkele zorg over zijn nalatenschap hoeft te maken.