|
DAGBOEK SALTA - 1 (23122005) Donderdag, 10 november 2005 - Buenos Aires - Salta. “Dat moet mij weer overkomen” gaat er door me heen als we de vertrekhal van het vliegveld Aeroparque van Buenos Aires binnen wandelen. Lange rijen voor de incheckbalies, in de verte spandoeken. Een staking? Stakingen zijn op dit vliegveld namelijk heel gewoon. Zijn het niet de werknemers van een Argentijnse luchtvaartmaatschappij die dreigt te worden overgenomen door het Chileense LAN, dan zijn het wel werknemers die zich verzetten tegen een naderend faillissement of werknemers die een buitensporige loonsverhoging eisen. Tussen de spandoeken zit een eenzame demonstrant aan een tafel de krant te lezen en mate te lurken. Het is een technicus die is ontslagen door Astral, een dochteronderneming van Aerolineas Argentinas. We schuiven aan in een rij en twintig minuten later krijgen we onze instapkaart. Een paar uur later lopen we door Salta, de hoofdstad van de gelijknamige Argentijnse provincie. De stad ligt op bijna 1.600 kilometer ten noordwesten van Buenos Aires. Ongeveer de afstand Amsterdam - Barcelona. In Salta is alles anders dan in Buenos Aires: het klimaat, het ritme, het accent waarmee de Spaanse taal wordt gesproken, de kleur van de mensen, de geur en ga zo maar door. Op wat in de Argentijnse hoofdstad de drukste uren van de dag zijn, is er in Salta nauwelijks verkeer. Weinig wegverkeer en weinig mensen op straat. Ons statige hotel ligt midden in de stad in de Calle Buenos Aires - de Buenos Airesstraat. Aan de overkant is het centrale plein, de Plaza 9 de Julio. Zo’n beetje alles rondom het plein zit op slot. De openingstijden van het Archeologisch Museum geven uitsluitsel. Het is siësta. Toen ik in Gabon ging wonen, moest ik erg aan de lunchpauze van drie uur wennen. Na de lunch slapen was iets voor bejaarden, zo vond ik. Een Franse collega met veel ervaring in tropische landen raadde mij aan om naar mijn lichaam te luisteren en vooral niet tegen de slaap de vechten. In Nigeria, het volgende buitenland waar ik ging wonen, moest ik daarna me inspannen om de siësta weer te ontwennen. Een ontwenningskuur van een andere soort verslaving zal ik maar zeggen. Winkels en openbare gebouwen mogen dan gesloten zijn, de terrasjes aan het plein zijn gelukkig open. Het is echt tropisch warm. Wat ik me eveneens uit mijn Afrikaanse jaren herinner, is dat je vooral veel moet drinken. De vuistregel was zoiets als per dag minstens een liter vocht drinken voor iedere tien graden temperatuur. Dat is in Salta tegen de vier liter. Bier drinken om vochtverlies te compenseren, zou je dat van je ziektekostenverzekeraar vergoed kunnen krijgen? “Salta” is de fantasieloze naam die de brouwer aan het bier heeft gegeven, het is wel erg lekker. Ligt het aan de warmte of is het water hier veel zuiverder? Vanaf het terras doen we onze eerste indrukken op. Tussen vier en vijf de begint stad opnieuw tot leven te komen. Winkels gaan open, kinderen terug naar school. De huidskleur in Salta is een stuk donkerder dan in Buenos Aires. Hier wonen nazaten van de oorspronkelijke bewoners van het land, die in de hoofdstad voor het gemak “Bolivianen” worden genoemd. Mensen met een kleurtje zijn per definitie nooit Argentijnen, dus moeten ze wel uit het noordelijke buurland komen dat een paar honderd kilometer ten noorden van Salta ligt. Zoals mensen van Afrikaanse afkomst steevast uit zouden Uruguay komen. Weinig stadsbussen, dus weinig stinkende uitlaatgassen. Auto’s stoppen als aanstalten maak om een foto te maken van een gebouw aan de overkant van de weg. De totaal onthaaste stad voelt prettig aan. Salta werd in 1582 “in naam van de Koning van Spanje” gesticht door Fransico de Toledo, de onderkoning van Peru. De historie van de stad is hier en daar af te lezen van de gedenkstenen op de monumenten. En van de uit de gevel stekende houten erkers, waarvan er in het centrum van de Peruaanse hoofdstad Lima ook nog zoveel zijn. En van het koloniale Spaanse stratenplan, kaarsrechte haaks op elkaar staande straten die de stad verdelen in “manzanas.” Blokken van 100 x 100 meter. Dat wafelijzerpatroon is goed te zien vanaf de San Bernardoberg. Terwijl Buenos Aires een stad op zeeniveau is aan de rand van de eindeloze vlakke pampa, ligt Salta op bijna 1.200 meter boven de zeespiegel in een glooiende vallei aan de rand van de Andes. Een kabelbaan tilt de gemakzuchtige toerist naar de top van de 1.454 meter hoge berg vanwaar het uitzicht niet echt overweldigend is, doch wel een goede indruk geeft van “Salta la Linda” de mooie stad Salta. In het park op de berg staat er een groot bord met daarop het gedicht waarin de schoonheid van de stad wordt bezongen. Wat er ook staat is een Cristo Redentor, een groot Christusbeeld. Hoewel de berg twee keer zo hoog is als de Corcovado van Rio de Janeiro, is het beeld Salta niet eens een flauwe afspiegeling van het beroemde Christusbeeld dat over Rio waakt. Net zomin als de transparante obelisk voor de ingang van de kabelbaan in de verste verte aan die van de Argentijnse hoofdstad kan tippen. De parken van Salta zijn uitgedroogd, het regenseizoen begint pas over een maand. Besproeien, wat in Buenos Aires zelfs heel gewoon is als het regent, is er in Salta niet bij. In die parken staan veel te veel oerlelijke monumenten. Voor Columbus, de ontdekker van het Amerikaanse continent, voor de tango legende Carlos Gardel, voor de vader des vaderlands Generaal San Martín. De gevels van de winkelstraat in het centrum zijn verziekt door slordige verbouwingen en uithangborden die bijna over de hele breedte van de straat hangen. Salta la Linda is ver te zoeken. Of schuilt de charme van het stadje wellicht in het ijskarretje in de vorm van een middeleeuws zeilschip met vuurrode zeilen of de aardewerk potten die langs de straat worden verkocht? Wat mij betreft wel. Daar moet hoe dan ook een ijsje worden gekocht en daar kan ik zowaar mijn Afrikaanse pottenverzameling voor het eerst met een authentieke hand gemaakte Latijns Amerikaanse pot aanvullen. Aan de rand van een park maakt de bereden politie zich op voor iets ceremonieels. Zowel de paarden als hun berijders zijn fraai uitgedost. De mannen zijn gekleed in een wit overhemd, wit jasje, witte bombacho, de traditionele Argentijnse pantalon die ietwat op een plusfour lijkt, zwarte laarzen met sporen, elegant zwart doekje om de hals geknoopt, zwarte hoed op het hoofd. Een opgevouwen rode poncho losjes over de schouder gedrapeerd en een grote leren voorschoot, zoals die van Amerikaanse cowboys. Het ziet er indrukwekkend uit, Macho Marlboro Mannen zat in Salta. Het zadel is uitgebreid met een stevig stuk leer dat de benen van de berijder tegen struiken, distels en andere ongemakken moet beschermen “want wij werken vaak in ruig bergachtig terrein” vertelt een van de mannen mij. Die flappen lijken sprekend op de spatschermen van een motorfiets. Ons wordt aangeraden om zeven uur bij de kathedraal te zijn voor de ceremonie. Om zeven uur staan mannen en paarden inderdaad tegenover de kathedraal. Ze kletsen met elkaar en met passerende vrienden en kennissen, roken stevig, gaan op de foto met toeristen. Als het was frisser wordt, helpen ze elkaar de poncho volgens de kledingvoorschriften om te doen, verder gebeurt er niets. Na een half uur zijn we het wachten zat en laten de ceremonie schieten. In Salta moet je in een “peña” gaan eten, was mij aangeraden in “de ambassade van Salta” in het centrum van Buenos Aires. Iedere Argentijnse provincie heeft zo’n vertegenwoordiging in de federale hoofdstad, waar je min of meer al die zaken regelt die je op een willekeurige buitenlandse vertegenwoordiging op Argentijns grondgebied ook kunt regelen. “In een peña kun je traditionele lokale gerechten eten onder het genot van volksmuziek” was het antwoord op mijn vraag wat een “peña” dan wel was. Volgens de reisgids van mijn goed voorbereide reisgenoot kan je het beste naar Balderrama of La Casona del Molino gaan. Om de simpele reden dat Peña Boliche Balderrama op loopafstand van ons hotel ligt, komen we daar terecht. Volgens een groot bord bij de voordeur is Balderrama “de belangrijkste tempel van de volksmuziek” in Salta, volgens een folder zelfs “el Paraíso del Folclore!” Binnen is het halfduister en akelig stil. Het is net half negen, veel te vroeg voor de avondmaaltijd, wij zijn de enige twee gasten. De muren van de grote ruimte hangen vol met artiestenfoto’s. Tegen de buitenmuur is een flink podium waar met grote neonletters “Boliche Balderrama” staat, net podium is net zo leeg als het restaurant zelf. De ouders van de huidige eigenaar begonnen in 1922 een winkel van sinkel in het gebouw. Later voegden zij er een “picantería” aan toe, een plek waar pittige hapjes en hoogstwaarschijnlijk ook pittige sterke drank werd verkocht. Dat veranderde de winkel geleidelijk aan in een plaats waar de lokale artistieke wereld elkaar trof, vandaar mijn vermoeden dat er alcoholische versnaperingen werden geschonken. Het werd een “boliche” een plek waar eten en drinken wordt verkocht, waar muziek wordt gemaakt, waar wordt gedanst. De ober bij wie ik navraag doe, staat erop me voor te stellen aan Juan Balderrama, die de zaak tegenwoordig drijft. Het is een kleine corpulente man, zijn haar bevat een hoog gehalte pommade en is strak achterover gekamd. Hij zou ongeschminkt als figurant in een maffiafilm kunnen meedoen. Geroutineerd wordt ik achter de bar getrokken, zijn kleindochter maakt de foto’s. Een oudere man met lelijke pruik begint het podium in gereedheid te brengen. We bestellen locro, tamales, empanadas salteñas en humitas en wijn uit het zuidelijker gelegen wijngebied rond de stad Cafayate. Locro is een stevige en pikante maaltijdsoep met veel maïs, groenten en brokken vlees. Empanadas zijn de in Argentinië zeer populaire pasteitjes, die zijn gevuld met vlees of kip of groeten of ham en kaas, en zo voorts. Humitas en tamales zijn in gras of maïsbladeren ingepakte hapjes waarvan de samenstelling afhangt van de maker of maakster en wat er op de markt te koop was. Na ruim een uur komen er zowaar andere gasten binnen “de show begint om een uur of tien” vertrouwt de bediening ons toe. De show wordt aangekondigd alsof er iets geweldigs staat te gebeuren, maar stelt niet al te veel voor. De man met de lelijke pruik tokkelt wat op zijn gitaar, stampt met zijn gelaarsde voeten en zingt. Koffie toe en wegwezen. “Nee joh, je moet hier geen koffie drinken” waarschuwt de ober “ze gebruiken hier Nescafé, niet te zuipen!” Toch maar wel. Hij helooft een schepje extra en goed te zullen roeren. Achterin de zaak zit de familie Balderrama aan een grote eettafel naar de televisie te kijken, vast en zeker voetbal. Die zijn de artiest al lang zat. Als we afrekenen staan er 18 pesos extra op de rekening voor het “espectáculo.” In de tempel van de folklore gaat het dus ook om de zilverlingen. Vrijdag, 11 november 2005 - Salta - Cachi. Als ik na het ontbijt naar de kathedraal loop, staan er overal rijen mensen. “Salteños staan graag in de rij” vertelt een oude man desgevraagd “daar om belasting te betalen, daar voor hun pensioen, daar voor hun uitkering.” In de kerk van San Franciscus, waarvan de eerste steen in 1759 werd gelegd, is het druk. Er wordt druk gebeden, een paar mensen “lopen” op hun knieën naar het hoofdaltaar, er staat een flinke rij wachtenden voor de biecht. Voor het biechthokje ligt een zeek kortgerokt meisje op haar knieën de zonden van de afgelopen nacht te bekennen aan een biechtvader die zichtbaar ongeïnteresseerd geeuwend in het biechthokje hangt. Ik betrap hem doordat de deur daarvan half open staat. Naast de ingang van de kerk hangt een dankbetuiging aan “el Señor y la Virgen del Milagra - de Heer en Onze Lieve Vrouw van het Wonder” die er voor gezorgd zouden hebben dat de stad tijden een grote aardbeving in augustus 1948 werd gespaard. Hoogste tijd om in de auto te stappen en onderweg naar Cachi te gaan. wordt vervolgd |