DAGBOEK SALTA - 2 (27122005)

Vrijdag, 11 november 2005 - Salta - Cachi. De laatste dwingende raadgeving van de autoverhuurder was om op wegen met losse steenslag onder geen beding harder dan 40 kilometer te rijden. Dat had ik voor kennisgeving aangenomen. Op de eenvoudige wegenkaart stonden de wegen immers dik in rood en groen ingetekend, dat zag er best solide uit. Onwetendheid over wat je staat te wachten is beter dan je zorgen te maken over iets dat sowieso onvermijdbaar is als men zijn reisdoel wil bereiken. Er is weinig verkeer op de weg de stad uit, het is weliswaar een niet al te brede tweebaansweg, maar glad asfalt. In de dorpen “lomos de buro - ezelsruggen” verkeersdrempels om de snelheid binnen de bebouwde kom op kruipsnelheid te houden. In Brazilië heten die dingen heel toepasselijks “quebra molas - schokbrekerverziekers.” Even voor het dorp La Merced staat een enorm houten beeld van Jezus aan het kruis langs de weg. Hij wordt omringd door uit stevig hout gesneden apostelen. Wat dat ding hier doet of wat het heeft te betekenen wordt niet nader toegelicht. Zeer waarschijnlijk is het niets anders dan een lokale uiting van christelijke devotie.

Aan beide kanten van de weg eindeloze velden met tabaksplanten, samen met wijnbouw de belangrijkste industrie van de provincie Salta. Bij verschillende boerderijen staan moderne droogkamers in de felle zon te schitteren. De wat minder moderne of wellicht minder goed bij kas zittende tabakstelers hebben nog een stenen droogschuur met stookgaten en beroete buitenmuren op hun erf staan. Zoiets als de drooghuizen voor de hop in het Engelse graafschap Kent. In El Carril slaan we rechtsaf de Ruta 33 richting Cachi op. Na een kilometer of wat gaat het asfalt over in een weg die verdacht veel lijkt op een met stenen bezaaid pad. Er wordt aan de weg gewerkt en we gaan er gewoon van uit dat dit een tijdelijk ongemak is. Als snel realiseren we ons dat de “groene weg” op de kaart een echte groene weg is die uit ter plekke gevonden natuurlijke materialen bestaat. De weg is niet al te breed, het landschap wordt steeds mooier, we rijden door de Quebrada de Escoipe. Het uitzicht wordt aanvankelijk wat belemmerd door niet al te grote bomen, we stoppen af en toe om naar brede, maar vrijwel droge rivierbeddingen te kijken. Het geluid dat het over de rotsboden en door de rotsblokken stromende water maakt, is aangenaam rustgevend. De weg klimt voortdurend en is bochtig, rustig aan. Zelfs als je het zou willen, zou je hier niet harder dan 40 kilometer oer uur kunnen rijden. Behalve dan als je een vrachtwagen of buschauffeur bent en een sneldienst tussen Cachi en de stad Salta onderhoudt. Bestuurders worden aangemoedigd om voor iedere bocht even te toeteren, om het naderende onheil aan te kondigen, dan wel af te wenden.

Dat er onheil rondwaart, is te zien aan de vele “ánimas“ langs de weg. De kleine gedenktekens die de verongelukte weggebruikers herdenken. Ik ben dol op die dingen en fotografeer ze bij iedere gelegenheid. De eenvoud ervan en de soms opgewekte fleurigheid van de decoraties of kunstbloemen die er bij staan, hebben voor mij op een of andere manier iets speciaals. Het zijn betere waarschuwingstekens dan welk verkeersbord dan ook. De bruggen zien er Afrikaans uit, een paar planken op boomstammen, alsof je met de auto een smeerbrug oprijdt. De weg is trouwens niet minder Afrikaans. Losse steenslag, stof, hier en daar brokken rotssteen die moeten worden ontweken. Goed in het spoor blijven is de kunst. De kunst die ik in Gabon op de rode lateriet wegen onder de knie kreeg. Toen met een stevige terreinauto, nu met een Corsa. De weg klimt geleidelijk. De vergezichten worden steeds mooier, de kleur van het gesteente verandert voortdurend. Mooi rood, zwart, groen, vast en zeker koperoxidatie. De formaties zijn soms grillig dan weer glad. De eerste grote cactussen verschijnen. Het is de cardón (pachycereus pringley) die ik van de andere kant van de Andes, uit de woestijn van Atacama, ken en die in beide landen een beschermde plantensoort is. Desalniettemin zijn bij de eerste de enige souvenirkraam die we in dit totaal verlaten gebied tegenkomen oerlelijke lampenkapjes, bonbonschaaltjes en andere absoluut nutteloze hebbedingetjes van cardónhout in de aanbieding.

In Salta zijn we op ongeveer 1.200 meter boven de zeespiegel de dag begonnen, zo’n beetje halverwege Cachi rusten we uit op 2.300 meter. Dat is in de Quebracha de Maray bij een huiskamerbar. Hoogste tijd voor het eerste glas bier voor vandaag. In de verte zien we het naderend onheil op ons af komen. Na uren door een niemandsland te hebben gereden komt er een andere auto onze kant op. Als de passagiers uitstappen herkennen we onmiddellijk landgenoten. Opzettelijk praten we niet te veel en op gedempte toon. Ze bestellen één kop koffie en delen die ook echt. Op een gegeven moment laten we maar blijken dat we verstaan wat ze zeggen. Het is een echtpaar uit Breda, dat we daarna nog herhaaldelijk zullen tegenkomen en voor het gemak maar “de twee van Breda” dopen. De weg klimt verder. Uit het niets komt een man aanwandelen. Ik vraag hem of de groene kleur op de rotsen geoxideerd koper is, volgens hem is het een plantje. Hij woont hogerop, daar, zegt hij, zijn weiden met koeien en akkers. Dat er inderdaad meer mensen wonen dan je kunt zien of vermoeden, blijkt uit de paar kleine begraafplaatsen en een bord dat op het bestaan van een lagere school duidt in wat een totaal verlaten streek lijkt.

Er komen verre, nog hogere bergtoppen met een kleine sneeuwkap in zicht. Er komen stroompjes smeltwater naar beneden die de weg kruisen. Aan onze oren kunnen we voelen dat we echt hoog zitten. Op 3.240 meter rijden we het Nationale Park Los Cardones binnen. Niet via een hek of een toegangspoort of zo. Er staat een eenzaam bord aan de linkerkant van de weg dat het begin van het park aankondigt, meer niet. Na een paar kilometer staan we bij het hoogste punt van het park, de 3.348 hoge Piedra del Molino - de Molensteen. Weer een paar kilometer verder begint de “Recta del Tin.Tin” een kaarsrechte geasfalteerde weg door een woestijnachtig maanlandschap. Zo ver je maar kan zien cardones, verder helemaal niets. Er staan er zelfs zoveel dat we ons afvragen waarom deze cactus eigenlijk bescherm is. Hoewel er langs de weg staan op regelmatige afstand borden staan die waarschuwen voor oversteken llamas, zien we er jammer genoeg niet een.

Payogasta, 2.410 meter boven de zeespiegel, heet het eerste dorp dat we tegenkomen sinds we uren geleden in El Carril rechtsaf sloegen. Het ligt in een vallei waardoor de rivier Calchaquíes stroomt. Vanuit de verte is over de huizen heen een steile bergwand te zien waarvoor breed uitgewaaierde oude lavastromen als omgekeerde puntzakken tegen aanleunen. Een intrigerend gezicht. Op de kruising vlak voor Payogasta staat onder een schaduwrijke boom een schrijn voor de populaire volksheilige Gauchito Gil, altijd gemakkelijk te herkennen aan de rode vlaggen en linten. Aan de ander kant van het dorp staan de cactussen in bloei. Die zijn minstens net zo oud als wij zijn, want een cadrón bloeit pas als ie meer dan vijftig jaar oud is. Terwijl ik wat foto’s maak komen dikke hommels en kolibries om beurten de honing uit de bloemen snoepen, heel even voel ik me een fotograaf van de National Geographic.

Het is stil in Cachi, siësta zo weten we sinds gisteren. Na onze hotelkamer te hebben geïnspecteerd, gaan we het dorp verkennen. Mijn reisgenoot voelt de hoogte van 2.300 meter, zegt hij. De souvenirwinkel naast het hotel staat vol met van alles en nog war dat uit cardonhout is gesneden. Naast de onvermijdelijke schemerlampen, hebben ze dienbladen en fotolijstjes. Onderweg zien we uithangborden en straatnaambodjes van hetzelfde materiaal. De bar aan het dorpsplein, toevallig de enige winkel die open is, heeft een plafond van cardonhout. Beschermde cactussen? Als je ons vaderland binnenkomt met souvenir van ivoor of schoenen van krokodillenleer, dan schijnen die in beslag te worden genomen. Dat wil zeggen als je ermee wordt betrapt. In dit deel van Argentinië is het kennelijk geen enkel probleem om de wet aan je laars te lappen en goede sier te maken met iets dat je eigenlijk niet mag hebben. Of zou de wet alleen voor mensen van buiten de streek van toepassing zijn? Tot in het pittoreske kerkje toe is een flinke hoeveelheid cardonhout verwerkt. Van het plafond en de preekstoel tot en met de biechtstoel. In de reisgids staat het beschreven als het “castuskerkje”. Vroeger, zo vertelt meneer pastoor, was de vloer ook van cactushout, maar een moderne voorganger heeft het door plavuizen vervangen. Het kerkje heeft een mooi altaar dat me erg aan de altaren in de kerkjes in de noordelijke Chileense woestijn van Atacama herinnert. “Dat klopt” bevestigt meneer pastoor “beide kanten van de Andes maakten in koloniale tijden deel uit van dezelfde kerkprovincie, vandaar.” Het altaar is net de gevel van een statig huis met grote boogramen. De verveelde kerkbezoeker kan de heiligen in iedere kamer zien staan of zitten. Een van de heiligen in de linker bovenkamer, een herder met wat schapen, heeft een beetje het uiterlijk van iemand uit de buurt, de rest ziet er verdacht blank Spaans uit.

De siësta is voorbij. Als we uit de kerk komen, zit het park op het dorpsplein vol met schoolkinderen in witte stofjasjes, het gebruikelijk uniform van overheidsscholen. De VVV annex winkel met vooral door ambachtslieden uit de streek gemaakte souvenirs is open. We kopen een leren riem waar zowaar een “certificaat van echtheid” aanhangt. De mijne is op 30 mei 2005 gemaakt door Teresa Rueda uit Buena Vista in het departement Payogasta. We informeren waar de overblijfselen van de aanwezigheid van de Inca’s in de omgeving van Cachi. kunnen worden bekeken. “Je kan beter naar het museum aan de overkant gaan, daar is alles te zien wat er daar is opgegraven” is het praktische advies van de man van de toeristeninformatie. Als we aanhouden, wil hij op de kaart de archeologische vindplaats wel aanwijzen, zij het met een blik van dat het wat hem betreft verloren tijd is om er naar toe te gaan. Het museum is gevestigd in wat zo te zien een groot herenhuis was met twee ruime patio’s, waar omheen de zaaltjes en kantoorruimten liggen. Heel veel licht gedecoreerd huishoudelijk aardewerk, de typische waterpotten met oren aan de zijkant voor het bevestigen van een draagband. Een best exclusieve kleine menhir, erg veel maalstenen, grote urnen waarin de stoffelijke resten werden begraven. Nonchalant gestapelde stenen met petrogliefen, mysterieuze abstracte patronen in plaats van de vogelman en goden die ik kort geleden nog op het Paaseiland zag. Geen metalen voorwerpen. Allemaal erg eenvoudig, maar de moeite waard.

Volgens de receptie van het hotel er slechts twee redelijke eetgelegenheden in Cachi, we kiezen voor het restaurant aan het dorpsplein. Qua voedsel en wijn is daar de keuze ook beperkt. “Hebben jullie Malbec?” vraag ik. “Nee, maar die halen we wel even op de hoek.” Op de hoek is de lokale drankenwinkel, waar niet alleen de wijn, maar ook het brood voor bij de maaltijd wordt gekocht. Nadat we hebben besteld, loopt het mooie ronde donkere indianenmeisje de deur uit om een minuut of tien later met de armen vol met boodschappen terug te komen, inclusief onze rode wijn. Gelukkig maar, want het vlees is wat taai en moet echt worden weggespoeld. Terug in het hotel worden we ontvangen met een glas “mistella” een zoetige lokale dessertwijn, lang niet zo lekker als een Franse “Beaumes-de-Venises.” Morgen gaan we naar het exclusieve wijngoed Colomé om onze schade in te halen.

wordt vervolgd