DAGBOEK PATAGONIË - 2 (30012006)

Vrijdag, 18 november 2005 - El Calafate - Ushuaia. Het vliegtuig naar Ushuaia vertrekt pas laat in de middag. We vragen ons af of een busreis van een dag een mogelijk alternatief zou kunnen zijn. Op die manier zouden we wat meer van Patagonië kunnen zien tijdens de uren die we anders redelijk zinloos in Calafate zullen moeten rond hangen. Helaas bepaalt de loop van de grens met Chili de reisduur. Om politieke redenen gaat de route in zijn geheel over Argentijns grondgebied, hetgeen een forse omweg betekent. Het Argentijnse deel van Tierra del Fuego lijkt op een taartpunt die uit Chileens grondgebied is gesneden. Het eiland werd in 1881 verdeeld door wat strepen op de kaart te trekken, zo ging dat toen. De bus rijdt eerst in ongeveer 4 uur naar de provinciale hoofdstad Río Gallegos waar moet worden overgestapt voor de bus naar Ushuaia. Die heeft, inclusief het met de pont oversteken van de Straat van Magelhães, nog eens 12 uur nodig. Nee, dan maar liever wachten op het vliegtuig dat ons in een uur en een kwartier naar het einde van de wereld zal brengen.

Calafate overdag heeft veel weg van een forensendorp, de “forensen” zijn de toeristen die de gletsjers in de buurt gaan bezoeken. Als ze ’s ochtends vroeg eenmaal zijn opgehaald voor hun dagtocht, ligt het dorp er voor de rest van de dag verlaten bij om ’s avonds weer tot leven te worden gewekt als de bussen terugkomen. We gaan even bij het lokale filiaal van de Nationale Parken kijken, dat zeer toepasselijk in een blokhut huist. Lang niet zo chique als het stadspaleisje naast mijn appartement in Buenos Aires waarin het hoofdkantoor zetelt. De tuin is erg herkenbaar voor iemand die in noordwest Europa is geboren: lupines, zilverberken, boterbloemen, paardebloemen, seringen, populieren, erg veel populieren, moerbeibomen, zuring, brem, kamilles, berberis. Het gebeurt niet vaak dat ik zover van het vaderland, zoveel bekende planten, struiken en bomen tegen kom. De tuin wordt ietwat ontsierd door een borstbeeld van Franciso Pascacio Moreno “ontdekker van het Lago Argentino en verdediger van de soevereiniteit” en een buitengewoon lelijk metalen model voor de “nieuwe” veranda van de gletsjer. Waarom moet het zo goed in het landschap passende hout in vredesnaam worden vervangen door iets met veel metaal? Lekker modern en supersmakeloos!

We wandelen langs een weide dat een vogelreservaat zou zijn en slaan die beurt zonder te aarzelen over, maar laten ons wel verlokken een bungalow in een nieuwbouwwijk binnen te lopen dat een museum zou zijn. “Reis door de tijd. Bekijk 14.000 jaar geschiedenis van de mens en het millieu in Patagonië. Verbreedt uw kennis van gletsjers, jachtmethoden, de Aonikenk indianen en hun rotstekeningen” luidt de wervende tekst op een bord in de tuin. We trappen erin en betalen de 10 of 12 Pesos entree, het veelvoud van een museum in Buenos Aires met een echte collectie. In een ruimte van hooguit 15 vierkante meter hangen vanaf het plafond stroken bedrukt plastic die smalle paden vormen. Op het plastic staan slecht afgedrukte foto’s en teksten die de bezoeker in sneltreinvaart door 140 eeuwen geschiedenis jagen. Er wordt niet eens aandacht besteed aan onze landgenoten Le Maire en Schouten die nota bene de zuidelijke doorvaart van de Atlantische naar de Grote Oceaan hebben ontdekt. Kaap Hoorn, Stateneiland, Straat Le Maire, de Nassau Baai! Uit pure balorigheid ga ik in discussie over de nationaliteit van de ontdekker van de wat noordelijker gelegen Straat Magalhaes, later realiseer ik me dat ik fout zat en de conservator het bij het rechte eind had. Rond het middaguur lees ik in een café de ochtendkrant van gisteren, die van vandaag wordt pas bezorgd met het vliegtuig van vanavond. We slenteren terug naar het hotel via het Gnomendorp, een winkelcentrum met een hoog Rien Poortvlietgehalte. Het stikt er van de kabouters en goede feeën.

De reis naar het einde van de wereld begint chaotisch. “Het reisbureau heeft vergeten om ons op te laten halen” is de gezamenlijke conclusie na een half uur tevergeefs wachten. Opgebeld. “Nee de bus is onderweg hoor.” Een kwartier later komt er een taxi aanscheuren. De chauffeur heeft duidelijk te horen gekregen dat hij ons zo snel mogelijk naar het vliegveld moet brengen, een opdracht die hij met Latijnse passie uitvoert. De kleine vertrekhal van het vliegveld staat overvol. “Net de Efteling” vindt het jongste lid van ons gezelschap. In Calafate ontbreken jammer genoeg de bordjes waarop staat hoe lang je meot wachten voordat je aan de beurt bent. Het vertrekt van onze vlucht naar Ushuaia wordt aangekondigd, er staan nog zeker 60 wachtenden voor ons. Kort denken wij, en vele anderen in de rij met ons, dat de passagiers voor deze vlucht met voorrang bij incheckbalie drie aan de beurt zijn. Verkeerd begrepen, met z’n alleen terug naar af. Voor en achter ons staan medepassagiers voor vlucht AR2895, een geruststellend gevoel. Het inchecken vlot opeens. Nu nog in de rij voor het betalen van de luchthavenbelasting en daarna nog eens voor de controle van de handbagage. “Mag ik de steen in uw bagage even zien? vraagt de controleuse. Daar gaat de mooie oude, maar wat scherp aan de randjes, steen die ik gistermiddag op de oude gletsjervloer heb gescoord. “Ik kan hem voor je inchecken hoor” biedt ze vriendelijk aan. Daar zie ik maar van af omdat er nog twee vluchten met dezelfde steen in de handbagage moeten worden gevlogen. Ik heb geen zin om aan het eind van iedere vlucht op dat ding te moeten wachten. Op vertrektijd wandelen we het vliegtuig in en tien minuten later stijgen we op. Het vliegtuig zit vol, iedereen is aan boord. Achteraf bezien was er dus helemaal geen sprake van echte chaos, dat leek alleen maar zo. Eens te meer wordt bewezen dat een reiziger wordt geacht over strekte zenuwen te beschikken.

De korte vlucht verloopt voorspoedig, de landing is spectaculair alweer door het gezeur over waar de grens precies loopt of zou moeten lopen. Chili en Argentinië bakkeleien al bijna 200 jaar over de grenzen in Patagonië en de kwestie blijft supergevoelig. Een half jaar geleden stond zowat iedere Argentijn op tilt nadat een Chileense uitgever “per ongeluk” op de boekenbeurs van Buenos Aires een foldertje had verspreid waarop heel Patagonië als Chileens grondgebied stond aangegeven. Die heeft daarna vast geen boek meer verkocht. Hoewel in het grensverdrag van 1881 de grenzen “voor eens en voor altijd” werden vastgesteld, zijn er regelmatig arbitragezaken en diplomatieke ruzies over de interpretatie. Volgens zeggen mogen Argentijnse vliegtuigen onder geen beding door het Chileense luchtruim vliegen en dat valt niet mee. Vlak voor de landing scheren we vlak langs messcherpe bergtoppen om met een haakse bocht te landen op een kunstmatig eiland voor de kust waarop het vliegveld ligt. Vanuit de lucht zie ik aan de ene kant Chili aan de andere kant Ushuaia, mijn teleurstelling is het einde van de wereld zelfs in de verste verte niet te bekennen.

Het is “Fin del Mundo” wat de klok slaat in Ushuaia. Ons pension heet zo, het museum heet zo, de trein heet zo, het staat te pas en te onpas op winkels en reclameborden. We worden afgezet bij de posada, schrijven ons in, wachten tot een forse regenbui is overgetrokken, genieten daarna van de regenbogen en gaan op pad. Het is laat licht in de zuidelijkst gelegen stad ter wereld. De tegenhanger van het noorderlicht oppert een van de reisgenoten, ik heb echter nooit eerder van “zuiderlicht” gehoord. Het treft dat het Yamana Museum aan het eind van de straat ligt. Het is een thematisch museum dat de geschiedenis en de gebruiken van de autochtone bevolking van Vuurland in beeld wil brengen. Het museum heeft onderdak gevonden in een traditioneel houten huisje dat met blauw geverfde golfplaat is bekleed. De kamers van vroeger, zijn de museumzaaltje van vandaag. Weer een flinke entree, weer een flinke afknapper. De tweede vandaag. Veel foto’s en teksten, primitieve maquettes van pinguïnpoppetjes op het ijs en indianen rond het kookvuur en dat is het dan. Terwijl ik had gehoopt veel meer te zullen zien van de Yamanas. de Alcaluf, de Haush en de Selk’nam. Vooral de laatste groep interesseert me mateloos. Daar wil ik veel meer van zien en te weten komen, foto’s, gebruiksvoorwerpen, goed onderbouwde achtergrondinformatie. Waarschijnlijk dankzij hún vuren noemde de Portugese zeevaarder Fernando de Magalhães het gebied Vuurland. Lang deden er verhalen de ronde over mythische reuzen die er zouden wonen. Op oude kaarten staan zowel de reuzen als hun vuren afgebeeld. De Selk’nam waren groot, droegen wit gestreepte huiden als kleding en kappen die hun hele gezicht bedekten of ze smeerden hun lichamen met donkere kleuren (olie, vet?) en trokken daar witte strepen op. Die lichaambeschildering herinnert me aan Afrika, aan de Iwu van Benin City, alleen woonden de Sel’nam iets ten noorden van de poolcirkel in plaats van iets ten noorden van de evenaar. “Kleding was alleen maar lastig” volgens een van de teksten op de muur “dat regende voortdurend nat. Het was veel praktischer om het lichaam met vet of olie in te smeren.” Zelf kunnen ze niet meer vertellen waarom het zo was, want ze zijn vrijwel uitgestorven. Wat hier wordt getoond is wel wat mager, het stelt weinig tot niets voor, ik ben teleurgesteld.

In het antropologisch museum van Buenos Aires verging het me een paar jaar geleden niet anders. Daar zijn in het zaaltje dat aan Vuurland is gewijd hoofdzakelijk gebruiksvoorwerpen van missionarissen - vooral bijbels - in plaats van dat er aandacht wordt besteed aan de vier volken die in Tierra del Fuego woonden. Het meest navrante bijschrift, dat in mijn geheugen staat geschrift, was dat de missie op een gegeven moment is opgeheven omdat er niemand meer was om te bekeren. Dat was nadat geïmporteerde ziektes en alcohol hun tol hadden geëist en de Argentijnse overheid grote opruiming had gehouden. Een genocide waar verder weinig over wordt gezegd of vernomen. Hoewel. een kleine actiegroep heeft het gigantische ruiterstandbeeld van President Roca, de initiatiefnemer van de opruiming, met rode verf besmeurd en doet verwoede pogingen om de beeltenis van Roca van het bankbiljet van 100 Pesos te laten verwijderen. De enige echte Argentijnen hebben echter maar weinig in de melk van dit land te brokkelen, het land waarvan het merendeel van de bevolking vindt dat het eigenlijk in Europa zou moeten liggen.

We wandelen langs de haven en het Beagle Kanaal. Aan de overkant ligt Chili, aan alle andere kanten besneeuwde bergtoppen. Ik probeer om het einde van de wereld gevoel te krijgen, dat lukt deze eerste uren in Ushuaia nog niet erg. De richtingaanwijzer waarop staat dat via Ruta 3 de afstand naar Buenos Aires 3.040 kilometer is en die naar de meest noordwestelijke stadje La Quiaca, bij de grens met Bolivia, zelfs 5.171 kilometer stimuleert nauwelijks. Het koude weer ook niet. De maaltijd is verrukkelijk, dankzij de witte Torrontés wijn uit Salta die in restaurant Tante Nina wordt geschonken, maar vooral dankzij het aangename gezelschap van Veronique en Wiepke en mijn oude vriend Louis en de mooi gekleurde hemel boven het Beagle Kanaal. Morgen, zo is ons beloofd, gaan we met de trein en de bus naar het echte einde van de wereld. Ik ben benieuwd.

wordt vervolgd