DAGBOEK TRINIDAD - 1 (15072006)

Vrijdag, 7 juli 2006. YELLOW ALERT – GROTE KANS OP EEN TERRORISTISCHE AANSLAG. Om dat te voorkomen worden passagiers die overstappen op het vliegveld van San Juan, de hoofdstad van Puerto Rico, aan tijdverslindende veiligheidscontroles onderworpen. Zelfs zij die, zoals ik vandaag, geen meter in de richting van het vaste land van de andere Verenigde Staten zullen vliegen. Gelukkig ken ik ondertussen de sluipweg om de lange rij overstappende passagiers te vermijden en ben in minder dan een kwartier weer extra territoriaal. Later op de avond meldt het televisienieuws de ontdekking van een complot om de tunnels van de New Yorkse ondergrondse op te blazen. Het nieuws wordt urenlang door vrijwel alle Amerikaanse zenders die ik in mijn hotel kan ontvangen breed uitgemeten. Een buitenkansje op een avond waarop er weinig echt nieuws is.

Die controles zijn niet het enige ongemak. Veel routes in het Caraďbisch gebied worden met een Super ATR onderhouden. Een turboprop, een vliegtuig uit een vorig tijdperk. In de cabine smalle stoelen zonder comfort en weinig beenruimte. Op de vlucht van drie uur naar Port of Spain krijgt de passagier een glas frisdrank naar keuze uit wat toevallig aan boord is en een zakje chips. Om een evenwichtige vlucht te garanderen, turbulentie zorgt regelmatig voor enig ongemak, worden de passagiers in het halflege toestel voor het opstijgen opnieuw verdeeld. Al doende krijg ik een een praatgrage dame naast me wiens voorouders vanuit India naar Trinidad kwamen. Aldus krijg ik zowel nuttige en triviale informatie over haar vaderland en levert zij het eerste bewijs dat Trini’s aardige mensen zijn.

Zaterdag, 8 juli 2006. “We moeten oppassen want we zijn een dubbel doelwit” zegt collega Chris nerveus “Jij bent blank, ik een Indiër!” Welkom in Trinidad & Tobago. Trini’s van Afrikaanse afkomst, kidnappen Trini’s van Indiase afkomst, die geacht worden te bulken van de poen, en laten ze meestal in ruil voor geld weer vrij. Nasleep van de koloniale tijd. Toen het Verenigd Koninkrijk in 1834 de slavernij afgeschafte en de Afrikaanse ex-slaven wegtrokken van de suikerrietplantages, waren er nieuwe arbeiders nodig. Die brachten de Britten uit het oosten van India, een andere kolonie. Ook toen was India al een bron van goedkope arbeidskrachten. Na de afschaffing van de slavernij in Suriname haalden onze voorvaderen eveneens scheepsladingen contractarbeiders uit India. Contractarbeiders hadden een knevelcontract dat ze voor vijf jaar aan hun werkgever bond en weinig vrijheid bood, een vorm van minimaal betaalde slavernij. Dat die arme tijden voorgoed voorbij zijn, wordt door het kidnappen aangetoond. De Indiërs zijn slimme zakenlieden die goed boeren, sommige Afro Trini’s proberen mee te liften. Zonder uitzondering heeft iedere Indiër met wie ik spreek een verhaal over luie of onbetrouwbare Afro landgenoten te vertellen. Helaas zal ik onvoldoende contact met die Afro Trini’s hebben om de andere kant van de medaille te leren kennen.

Tegenover “Queen’s Royal College” drinken we cocoswater uit de noten die aan de rand van de Queen’s Park Savannah vers uit de laadbak van vrachtauto’s worden verkocht. Volgens de Trini’s zou dit het grootste verkeersplein ter wereld zijn. Wat mij betreft is het gewoon een enorm park met een weg er omheen gedrapeerd. Aan de rand ervan bewonderen we de “magnificent seven” zeven huizen uit de eerste helft van de vorige eeuw. Britse koloniale architectuur die de grandeur van het perfide Albion van destijds al lang niet meer uitstraalt. De grootste huizen zijn hard aan een grondige opknapbeurt toe. Onderweg zijn we al even gaan kijken bij een mooi gerestaureerde houten villa, met dank aan de Chinese restauranthouder die zich er heeft gevestigd. Queen’s College is een van de oudste middelbare scholen van Trinidad waar V.S. Naipaul, winnaar van de Nobelprijs voor Literatuur, studeerde. Naipaul, een van mijn favoriete schrijvers, werd in 1932 in de stad Chaguanas geboren. Ik ben hier voor mijn werk, maar wil van de gelegenheid gebruik maken om de sfeer te proeven van het eiland dat als achtergrond diende voor de eerste boeken die hij schreef. Niet dat mijn verwachtingen al te hoog zijn gespannen. Sinds Naipaul in 1950 naar Engeland vertrok om in Oxford te gaan studeren, is hij zelden op het eiland terug geweest. “Ik wilde nooit in Trinidad blijven” schreef hij als jonge man “het is een onbelangrijk eiland zonder enige creativiteit.” We zijn op zoek naar Miguel Street de straat die volgens mijn reisgenote in het vliegtuig in de wijk St. James te vinden zou zijn.

St. James is gemakkelijk te herkennen aan een boog over de weg waarop die naam staat. Het is geen grote wijk, netzomin als Port of Spain – 350.000 inwoners - een grote stad is. Het is een eenvoudige maar keurige buurt, beslist niet de “slum” waarover Naipaul schreef. Dat is volgens Chris te danken aan de flinke hoeveelheid olie en het aardgas die rond Trinidad wordt gewonnen en het land tot het rijkste eiland in de Caraďbische Zee heeft gemaakt. We rijden door bijna alle straten en dwarsstraten en vragen een paar keer voorzichtig de weg, aan andere Indiase Trini’s, doch zonder resultaat. Het is vast en zeker een straatnaam die aan de fantasie van de schrijver is ontsproten. Als schooljongen, zo weet ik, woonde hij in Luis Street, in de naastgelegen wijk Woodbrook toentertijd een wijk voor beter gesitueerden. Die straat dan maar. Wat zou het huis zijn waar Naipaul heeft gewoond? Ik besluit dat het een houten huis is met een dak van golfplaat, veel houten ornamenten en een prieeltje met een puntdak. Dat huis ziet eruit alsof het is gebouwd door de timmerman uit Miguel Street “die altijd met iets bezig was, maar nooit iets afmaakte." Ja, ik sta hier vast en zeker voor het huis waar Naipaul als middelbare scholier heeft gewoond.

wordt vervolgd