|
DAGBOEK TRINIDAD - 5 (27072006) Zondag, 9 juli 2006. De velden waar tot voor een paar jaar suikerriet stond, liggen braak. Hier en daar wordt op kleine schaal rijst verbouwd, doch landbouw is niet meer van deze tijd in Trinidad. Ruwe olie en aardgas, vooral het laatste, zijn de nieuwe goudmijnen. Het heeft van Trinidad het meest geïndustrialiseerde eiland van de Cariben gemaakt. Tussen Chaguanas en Port of Spain aan beide kanten van de grote weg lintbebouwing. in vrijwel ieder huis waar een Indiër woont is een bedrijfje gevestigd. Veel van die huizen staan op palen. De ruimte eronder dient als parkeerruimte “zo maken we optimaal gebruik van de grond” wordt mij onderwezen. Aan de rand van de hoofdstad staan we kort stil bij de grootste moskee van het land. Die ligt er verlaten en weinig uitnodigend bij. De enige poging tot staatsgreep die hier ooit in dit land plaatsvond, werd gepleegd door moslim fundamentalisten. Misschien is er daarom wel een politiebureau naast gebouwd. Je weet maar nooit. Via de buitenwijken van de hoofdstad zoeken we naar de weg die over de bergrug naar de kust aan de noordkant van het eiland gaat. In het stadsdeel San Juan ligt tegenover de kruising, waar we stoppen om voorang te verlenen, een overvolle en matig onderhouden begraafplaats waarvan de grafstenen zowat op het trottoir staan. De weg klimt, we rijden door een kleine cacaoplantage. Totdat het in de jaren dertig van de vorige eeuw goed misging, was cacao stukken belangrijker voor de economie dan de suiker. Als ik rijpe cacaovruchten zie hangen, herinneren mijn smaakpapillen zich spontaan de zoetzure smaak van de gelei waarin de bonen binnen in de vrucht zijn opgeslagen. Het is een jaar of twintig geleden dat ik op het eiland São Tomé, een uur vliegen uit de kust van de Gabonese hoofdstad Libreville, voor het eerst van mijn leven op cacaobonen stond te sabbelen. Daarna nooit meer. Deze gelegenheid is te mooi om voorbij te laten gaan. Ik zal en ik moet proeven of het nog steeds net zo lekker smaakt als mijn herinnering me probeert wijs te maken. Nigel parkeert de auto, rent de boomgaard in en jat een vrucht voor mij. Zoals het een perfecte gastheer betaamt. De weg lijkt erg op die tussen Rio de Janeiro en Petrópolis. Klimmend, veel bochten, tropisch groen langs beide kanten en hier en daar een aangenaam vergezicht. Het verschil met Brazilië is, dat je daar op een bepaald moment de voormalige zomerresidentie van de Keizerlijke familie binnenrijdt, terwijl je in Trinidad op het hoogste punt van de weg wordt verrast door een prachtig uitzicht over een blauwe zee en de beboste uitlopers van het gebergte. Net de Costa Brava. De weg loopt dood in Maracas, een populair strand. Dat is dé plek om “Shark & Bake” te eten en weg te spoelen met een koud biertje. Hoewel ik best zo’n broodje haai zou willen proberen, ontbreekt zo kort na de lunch de eetlust om dat te doen. Via Port of Spain gaan we richting Chaguarama. Onderweg opvallend veel mensen, die geheel gekleed verkoeling zoeken in het water. Aan de overkant het gevangeniseiland Carrera “ons Alcatraz.” Op een verlaten werf vormen een afgedankt passagiersvliegtuig en een idem patrouillevaartuig, de pronkstukken uit de collectie het Military History and Aerospace Museum. Daar aan het water wordt de cacaopeul tevoorschijn gehaald. Geen mes voorhanden, maar met een schroevendraaier lukt het om de vrucht in tweeën te breken. Ik pulk de bonen met mijn vingers uit het natuurlijke bonbontrommeltje. Het smaakt inderdaad nog net zo lekker als toen in São Tomé. Jammer genoeg kan de verassing van de ontdekking van destijds, versterkt door het aangename gezelschap van mijn toenmalige Gabonese geliefde, niet nog eens worden beleefd. Maandag, 10 juli 2006. Wat de weergoden betreft is er vannacht kennelijk nog niet genoeg regen gevallen, de tropische buien weten niet van ophouden. Vanuit mijn hotelkamer tegenover het nationale voetbalstadion heb ik een paar uur lang de nachtelijke onweersbuien, met het licht uit en de gordijnen open, vanaf mijn bed bewonderd. Dat natuurlijke geweld boeit me soms mateloos. Het verkeer op de Noord – Zuid corridor, de snelweg tussen Port of Spain en het zuidelijke industriegebied waar ik naar toe moet, zit ’s ochtends even na zeven uur muurvast. Het lijkt wel of al die mensen in de verkeerde stad wonen of gewoonweg niet in de stad willen wonen waar ze werken. De weg naar het industrieterrein loopt dwars door de verlaten suikerrietplantages. De gesloten Brechin Castle suikerfabriek ligt eenzaam in de verte, de voormalige dienstwoningen zijn zichtbaar aan groot onderhoud toe. Opeens opent de horizon zich en passeren we de ene petrochemische fabriek na de andere. Na net door het economische verleden te zijn gereden, bevind ik me nu in de tegenwoordige tijd, die er bij lange na niet zo rustiek en romatisch uitziet. Wat mij betreft althans. Dinsdag, 11 juli 2006.Half vijf opstaan om naar het vliegveld te gaan, begint een vervelende sleur te worden. Snelle douche, taxi naar het vliegveld. We rijden in het maanlicht, zondagmddag om half vijf was de maan helemaal vol, op dat uur zeggen de Hindoes het Khathagebed. Een maandelijks ritueel volgens mijn taxichauffeur. Voorlopig de laatste les in hindoegebruiken. Tussen neus en lippen door vertelt hij dat een vriend ooit een winkel op de begane grond van het Lion House huurde en beschrijft de afgetakelde woonruimtes op de eerste verdieping. Een passende afsluiting van dit bezoek aan het vaderland van V.S. Naipaul, die het eiland en haar bewoners “benepen” vindt. Zijn landgenoten vinden hem daarom op hun beurt een ‘nimakaram“ een ondankbare hond. Ik denk Naipaul’s gevoelens te begrijpen. Na bijna de helft van mijn leven in het buitenland te hebben gewoond, moet ik toegeven af en toe soortgelijke gevoelens te koesteren ten aanzien van mijn eigen vaderland. slot |