AAN DE WANDEL IN SAN JUAN - 2 (31082006)

Halverwege de kort geschoren groene grasvlakte tussen het voormalige Manicomio – het Gekkenhuis - en het fort El Morro steekt een bouwsel boven het maaiveld uit dat op de schoorsteen van een in de grond verdwenen huis lijkt. Het blijkt een monument te zijn, waarvan het waarom op een bord dat ernaast staat wordt uitgelegd. “Ataque holandés – Nederlandse aanval - 25 september 1625. Vanaf dit open veld bombardeerden de Nederlanders vier weken lang El Morro in een poging het fort te veroveren. Via loopgraven groeven de Nederlandse soldaten zich een weg naar het fort. Hun commandant, admiraal Boudewijn Hendricksz, stelde een ultimatum “Geef je over of ik neem het fort en iedereen die ik tegen zal komen, inclusief vrouwen en kinderen, gaat eraan.” Ferme jongens, stoere knapen, die kaperkapiteins van de West-Indische Compagnie. De Spaanse commandant speelde het spel niet mee, hij weigerde zich over te geven. Na zware verliezen te hebben geleden, dropen onze landgenoten een paar weken later af. Tijdens de aftocht werd de stad San Juan in de as gelegd. Om dat te herdenken werd in 1925 dit onbenullige gedenkteken opgericht. Eigenlijk had Hendricksz een Zilvervloot willen onderscheppen, dat lukte Piet Hein, zijn opvolger als Admiraal, een paar jaar later wel. Zo ging de onsterfelijkheid die Hein - zijn naam is klein, zijn daden benne groot, hij heeft gewonnen de Zilvervloot, ten deel zou vallen aan de neus van Boudewijn Hendricksz voorbij.

Een paar honderd meter verderop staat op een wat hoger gelegen plein iets dat op een ouderwetse fabrieksschoorsteen lijkt. De omgeving is echter alles behalve een fabrieksterrein. Een fontein met onverwacht opspuitende waterstralen, zoals in de Rotterdamse Koopgoot, maar vele malen groter. Kinderen spelen erin aan het eind van een warme zomerdag. Het roept beelden bij me op van “de Bedriegertjes” van kasteel Rosendael bij Arnhem. Daar woonde ik in mijn lagere schooljaren niet al te ver vandaan. In de naoorlogse jaren, toen er geen geld was voor verre reizen, gingen we daar geloof ik met schoolreisje naar toe. De vrolijke opwinding die een plotselinge straal water veroorzaakt, is zo te horen en te zien van alle tijden. Opgewonden gillen en schreeuwen, in en uit het water rennende en springende kinderen in Puerto Rico leveren daar het bewijs van. Naast de trap naar boven staan twee bronzen beelden van uit de kluiten gewassen lammeren. Die verbeelden het lam God’s, het symbool van San Juan, dat naar San Juan Bautista - Johannes de Doper - is vernoemd. Het ene lam zit, het andere staat, beide hebben een kruis bij zich waaraan een vaandel met nog eens een kruis hangt. Door en door paaps die Spaanse kolonisten van het eerste uur. Linten met de wapenspreuk van de stad “Por su constancia, amor y fidelidad, es muy noble y muy leal esta ciudad – Door haar standvastigheid, liefde en trouw, is dit een zeer edelmoedige en toegewijde stad” zijn ingenieus over de arme schapen in de dop gedrapeerd. Overal in de oude stad kom je het lam tegen.

Na nog meer treden omhoog. Op het hoogste punt het plein met balcon met een mooi uitzicht over de Atlantische Oceaan. Het fort ligt links om de hoek en is net niet te zien. Midden op het plein staat de schoorsteen, een terracotta zuil van 12 meter hoog. Een monument vervaardigd door de architect en keramist Jaime Suárez om de 500ste verjaardag van de ontdekking van Amerika luister bij te zetten. Gelukkig is er een plaat op de muur geschroefd om, zij het vaag, toe te lichten wat het ding, dat “Totem Telúrico” is gedoopt, voorstelt. “Het is een monument dat is opgedragen aan de aarde en de modder van Amerika, die in haar diepten fragmenten bewaart van de geschiedenis van wie we waren.” Waarom spreken dit soort monumenten toch niet voor zichzelf? Hoewel een stuk minder afzichtelijk dan de “Faro a Colón” waarmee in Santo Domingo hetzelfde feit wordt herdacht, komt het niet echt in aanmerking voor een schoonheidsprijs. Soms, als de felle zon de bruin-rode kleur opfleurt, kan het er mee door. Bij somber weer ziet het er beslist uit als een buiten gebruik gestelde fabrieksschoorsteen. Na ettelijke bezoeken aan het plein en na de totem uit zowat alle mogelijke hoeken te hebben bekeken, denk ik door te hebben wat de kunstenaar heeft beoogd. De totem, die op een zwart granieten voet staat, is opgebouwd uit ringen van ongelijke breedte. Vierentwintig tel ik er. De oppervlakte is ruw, er steken potscherven uit. Archeologische vondsten gedaan op de plek waar het monument staat, eronder is een diepe parkeergarage gebouwd. Gezien de ligging tussen het fort, kazernes, kerken en de oude stad, is het zeer plausibel dat het resten van huishoudelijk aardewerk zijn. De zuil zou een dwarsdoorsnede van de aarde eronder kunnen zijn, een versteend grondmonster, zoiets als bij het boren naar aardolie naar boven wordt gehaald. Aldus verbeeldt de kunstenaar 500 jaar Amerikaanse geschiedenis. Eerder veelbetekend dan mooi.

Aan de achterkant van het plein begint de Calle Santo Cristo die steil naar beneden richting haven loopt. Op de hoek een huis met een brievenbus waarop het adres “Cristo 50” staat. Het is een straat waar eigenlijk alleen maar goed-gelovigen zouden mogen wonen. Kasseien, een handgeschreven straatnaam met een klein tegeltableau met een afbeelding van Christus aan het kruis er onder. Het tot luxe hotel verbouwde karmelietenklooster. De kerk van Johannes de Doper, souvenirwinkels met t-shirts van Ché. een hedendaagse messias, in de aanbieding. Het hoge gebouw van loge 87 van de Vrijmetselaren, met winkels en een bar op de begane grond. De Capilla de Cristo - Kapel van Christus - staat aan het doodlopende einde van de straat. Het is wellicht wat te ver gezocht om te vermoeden dat dit net zo’n diepe symbolische betekenis zou kunnen hebben als de keramieken totem aan de kop van de straat.