AAN DE WANDEL IN SAN JUAN - 3 (06092006)

Tijdens het lunchuur op zaterdagmiddag, vergaat me de eetlust zowat tijdens het lezen van de verbodsbordjes naast de voordeur van restaurant Atlantica. Uit nieuwsgierigheid neem ik daar alle tijd voor. Mijn collega´s hebben hun aperitief al besteld als ik aanschuif in het wat achteraf gelegen visrestaurant. De meeste verboden storen nauwelijks, zoals het op dit uur niet van toepassing zijnde “´S AVONDS GEEN T-SHIRTS, GEEN KORTE BROEKEN” of dat de directie niet aansprakelijk kan worden gesteld voor diefstal uit de auto´s op het parkeerterrein. Wij zijn lopend. Wat wel enige zorgen baart, is het langdradige en ietwat dreigend aandoende verbod “Het plaatsen van misleidende advertenties is wettelijk verboden. Bij overtreding kan een boete van maximaal $ 10.000 worden opgelegd. De consument kan zijn klacht deponeren bij het Departement van Consumenten Zaken. Wet nummer 5 van 23 april 1973.” Wat zou er mis kunnen zijn met de kwaliteit van het voedsel en/of de bediening van Atlantica dat men zich zo nadrukkelijk indekt? Het valt reuze mee. Smakelijk eten en drinken met disgenoten die afkomstig zijn uit Guatemala, Chili en Peru. Mijn kennis van de Spaanse taal wordt bijgespijkerd met een luchthartige verhandeling over woorden die in het ene land onschuldig zijn en in het andere beslist niet kunnen. “Cuadrar”, een woord dat wordt gebruikt om een saaie vierkantstelling te controleren, betekent in Ecuador zoiets als een stuk minder saai “vluggetje tegen de muur.” Het Braziliaanse Brahma bier is in Centraal Amerika omgedoopt in “Brahva” omdat het teveel aan “una perra en brama – een loopse teef” deed denken. Een andere, veel minder sappige verklaring, is dat het merk al was geregistreerd door een fabrikant van toiletpotten. Het Shell Gebouw in Guatemala City heet Edificio las Conchas, een keurige vertaling want “concha” betekent schelp. In Argentinië is “concha” echter een platvloers woord voor “vagina” en daar zou het dus een “Kut Gebouw” zijn. Niet al te ver bezijden de waarheid.

Op de zwoele zaterdagavond van het lange Labor Day weekeinde ligt er geen enkel cruiseschip in de haven van San Juan. Raar maar waar. De maanden dat er kans is op orkanen, is het laagseizoen voor cruises in het Caraïbisch gebied, zo is mij verteld. Dat orkaanseizoen begint op 1 juni en loopt tot eind oktober. Op 30 mei lag er voor het eerst sinds ik regelmatig in Puerto Rico ben geen enkel schip aan de kade. Tot dan toe lagen er bij ieder bezoek minstens drie of vier. Geen schepen in de haven heeft als voordeel dat de smalle straten van de koloniale stad niet met duizenden toeristen te hoeven worden gedeeld. Op zaterdagavond, en ook op zondag, wel met honderden auto’s die voor een grote continue opstopping in het oude stadsdeel zorgen. Wat er zo leuk is om kruipdoor sluipdoor achter elkaar door de smalle straten te rijden in een airconditioned auto, ontgaat me totaal. De actiegroep “San Juan Peatonal, SI!” die van de ommuurde stad een voetgangersparadijs wil maken, kan op mijn welgemeende steun rekenen.

Van mijn hotel tegenover de cruiseterminal, wandel ik via de Plaza Colón richting zeebries. Dat is een paar honderd meter steil omhoog. Van de ene kant van de punt van het eiland, waarop de Spanjaarden een goed te verdedigen stad bouwden, naar de andere. Van de haven naar de oceaan. Daar zijn in de 17e eeuw de grote forten San Felipe del Morro – kortweg “el Morro” - en San Cristóbal gebouwd. Die liggen binnen elkaars blikveld en zijn met elkaar verbonden door een hoge verdedigingsmuur die de kustlijn volgt. Bovenop de muur staan op regelmatige afstand “garitas” de wachthuisjes waarvan de hoogte aantoont dat Europeanen een paar honderd jaar geleden een stuk minder groot werden dan die van de 21ste eeuw. De “garita” is min of meer het toeristische handelsmerk van Puerto Rico geworden en staat tot op de nummerplaten van de auto’s. Parallel met de bovenkant van de stadsmuur loopt de boulevard, aan de voet ervan de Atlantische Oceaan. Op een paar plaatsen is de stad uit haar pak gegroeid. Halverwege beide forten is tussen muur en water een klein, naar een gesloopte fortificatie vernoemd, wijkje gebouwd “Comunidad La Perla” waar zo te zien minder welvarende Puertoricanen wonen. Dichter bij el Morro is de koepel van een kerk zichtbaar, dat is het “Cementerio de Santa Maria Magdalena” een intieme begraafplaats, waar rusten in vrede heel vanzelfsprekend moet zijn. Het lijkt me wel wat om te worden begraven aan de rand van de oceaan met het breken van de golven op de rotsige kust als nooit ophoudende achtergrondmuziek.

Later op de avond wordt er op heel andere rustgevende muziek getracteerd. Vanaf het weggestopte pleintje naast het Arsenaal klinken Cubaans tropische klanken op. Niet vanaf het podium van het muziekpaviljoen dat er staat, maar vanaf de klinkers ernaast. Ouder publiek heeft met meegebrachte stoeltjes een kring gevormd om de even oude muzikanten. Er wordt gesnackt, gedronken, gekletst, gedanst, geluisterd en regelmatig meegezongen met de gemakkelijk in het gehoor liggende muziek. Heel erg “Guantanamera” volgens mijn muzikale herinnering. Drie gitaristen worden ritmisch ondersteund door een veelheid van instrumenten: palitos – stokjes, maracas – verschrikkelijk dat die in het Nederlands sambaballen heten, bongo’s en de wat grotere conga, tamboerijn, de van een kalebas gemaakte g?iro die zo’n lekker lui schrapend geluid maakt, begeleiden de zangeressen. Solo, duo, trio of als koortje. Bij een lied over Puerto Rico wordt met de vlag van het eiland, die verdacht veel op die van Cuba lijkt, gezwaaid. Delen tekst als “novia del mar – bruid van de zee”, “perla del Caribe - parel van de Cariben” en “Isla del encanto – betoverend eiland” blijven me bij. Nostalgie van de bovenste plank, die mijn eigen nostalgische gevoelens voor Buenos Aires voor heel even verdringt.