MASKERS, MOZART EN MOFONGO - 2 (30092006)

Zo te zien zijn vier van de vijf andere bezoekers van het “Roots museum” – el Museo de la Raíz Africana – op zoek naar hun Afrikaanse wortels. Ze staan tenminste ijverig aantekeningen te maken in hun grote schriften. Niet voor niets kwam ik eerder vandaag een collage van pasfoto’s tegen met een onderschrift dat Puerto Ricanen, of ze het willen of niet, met de neus op de feiten drukt: “Todos los puertorriqueños - alle Puerto Ricanen, ongeacht hun huidskleur of gelaatstrekken. zijn de erfgenamen van de Afrikaanse culturen die hebben bijgedragen aan het tot stand komen van onze nationale identiteit.” Van maskers, muziekinstrumenten, goden, godsdienstige gebruiken, planten, vruchten tot en met de Afrikaanse invloed op de Puerto Ricaanse keuken. Zoals me dat op de meeste Caribische eilanden overkomt, dagdroom ik van het Afrika dat ik uit eigen waarneming ken. Dat van de westkust, waar de meeste slaven vandaan werden gehaald.

“Je leven is in Haïti geen cent waard - te matan por tres Pesos - je wordt er voor 3 Pesos vermoord.” Dat was het antwoord van een Dominicaanse collega, toen ik hem vroeg naar de beste grensovergang om een voodoo ceremonie in het buurland te gaan zien. Haiti is het voodooland bij uitstek in het Caribische gebied. Zo’n advies kan je beter niet in de wind slaan en dus doe ik het voorlopig nog even met surrogaten, zoals het voodoohuisaltaar dat in het Museo de las Américas in San Juan in een van de “Volkskunst” zalen is te zien. Behalve dat uit Haïti, zijn er huisaltaren uit Mexico en uit Puerto Rico zelf te bewonderen. Alle drie tonen overduidelijk de invloed van het katholieke geloof op de uit traditionele religies. Of, van de andere kant bekeken, het aanpassingsvermogen van de gedwongen tot het katholicisme bekeerden om op een verdekte manier toch het oude geloof te kunnen blijven belijden. Het voodoo altaar heeft volgens het summiere bijschrift een zoete en een zure kant. In het midden staat een bidkapelletje. Rechts ervan het portret van een ridder te paard, daarvoor staan een crusifx, een heupflesje rum, een blauw zakje waaruit een stekelige gedroogde bloem of kruid steekt, een kruis in een whisky fles – de enige echte message in a bottle – een flesje met een bidprentje als etiket, een schaal met noten of gedroogde vruchten, een kaars. Aan de linkerkant een portret van Maria waar parelkettingen overheen zijn gedrapeerd, een witte roos ernaast, ervoor liggen een tafelbelletje en maracas. Om de geesten van de voorouders op te roepen, zoals dat in Afrika gebeurt? Een stukje zeep, een parfumflesje, een heupflesje met onbekende inhoud, een fles reukwater. Voor het kapelletje liggen twee kleine zwarte poppejes – een mannetje en een vrouwtje. Hij een geweer of machete over de schouder, zij met een poppetje – hun kind? - in de hand. De eigenaren van het altaar? Mensenoffers? Het mysterie wordt versterkt door het ontbreken van verdere toelichting. Welke kant is zoet, welke is zuur? Goed en kwaad? Het wordt aan de toeschouwer overgelaten te bedenken wat er meer is te zien dan zichtbaar is.

De Puero Ricaanse maskers zien er eenvoudiger uit dan Afrikaanse, die appel valt niet ver van de boom. Sommige muziekinstrumenten met Afrikaanse voorlopers hebben duidelijk met het verleden gebroken. Dat is best jammer. De vingerpiano, bijvoorbeeld, bestaat oorspronkelijk uit een houten plankje waarop stripjes metaal van verschillende grootte zijn gemonteerd. Het instrument wordt met beide handen op een zodanige manier vastgehouden dat de duimen de gelegenheid hebben om de stripjes te bespelen. Lijkt in de verste verte niet op piano spelen en ook de klank is heel anders. Het is getokkel in plaats van gepingel. Tot twee keer toe kom ik een enorme klankkast tegen met een handvol brede repen metaal erop, die beslist niet met twee duimen kunnen worden bespeeld. Slanke houten drums, hebben in de loop der tijd het onhandige olievat formaat gekregen. Gelukkig heeft men er geen heil in gezien om de mooie handharpen aan te passen aan de lokale wensen. Nooit zal ik vergeten hoe midden in het Gabonese regenwoud zo´n harp speciaal voor mij werd bespeeld door een familielid van mijn toenmalige geliefde. Het werd als een viool onder de kin geklemd, de vingers van de vrije hand tokkelden de muziek. Dat vond ik best de moeite waard totdat er met een falsetstem een niet om aan te horen lied werd aangeheven. Er hangt ook een kora, een mooi traditioneel Afrikaans snaarinstrument, waarop ik ooit in de tuin achter hotel l’Amitié in Bamako, de hoofdstad van Mali, “Strangers in the night“ hoorde spelen. Dat was toen net zo’n vervreemdende ervaring als vandaag op de binnenplaats van het museum, waar de muziekklas voor gevorderden vol overgave “Eine kleine Nachtmusik” van Mozart op hun tiples en cuatros aan het oefenen is.

Van de Afrikaanse invloed op de Puerto Ricaanse keuken is in de musea weinig te zien, maar is in sommige restaurants wel te proeven. In de Old Harbour Brewery, eet ik bij de hoofdschotel steevast “amarillos” of “tostones” die zijn gemaakt van bakbanaan. Zonder lang na te denken, bestelde ik gisteren in restaurant Aquaviva de visschotel “Mahi Mahi” omdat er “yuca - gekookte maniokwortel” bij werd geserveerd. Aan het eind van de Afrikaanse museumdag ga ik “mofongo” eten, een populaire schotel met als hoofdingrediënt gestampte plantain. Daar wordt een bal van gekneed die wordt uitgehold en daarna gevuld. Ik neem mofongo met gamba’s gedoopt in een pikante saus. De schotel is hedendaags opgemaakt met een strip gefrituurde banaan, het lijkt net een hoedje met een veer. De maaltijd heeft op mij het effect dat werd beoogd door het 19e eeuwse slavenreglement, dat voedsel voorschreef dat ervoor moest zorgen dat het lichaam zich van de vermoeidheid kon herstellen. Na het eten van de mofongo val ik als een blok in slaap.