|
VROUW MET PIJP (08102006) De Honda importeur in Santo Domingo heeft goed geboerd. Zo goed zelfs, dat hij een even onooglijk als monumentaal betonnen bedrijfspand heeft kunnen bouwen waarmee hij zelfs een ontwerpprijs schijnt te hebben gewonnen. Voor het lelijkste ontwerp aller tijden? Nee, want die prijs is al aan het gedenkteken voor Columbus toegekend. Om al die lelijkheid te compenseren, zo vermoed ik althans, heeft Juan José Bellapart met het geld dat over was een collectie Dominicaanse kunst gekocht. Niet van dat spul dat en masse in de lokale schilderijenfabrieken wordt geproduceerd en vervolgens aan toeristen wordt gesleten, maar origineel werk. Bellepart is daarbij dusdanig voortvarend te werk gegaan dat er een hele verdieping in de betonnen kolos moest worden vrijgemaakt om aan al het moois, en minder moois, onderdak te bieden. Het is heel origineel “Museo Bellepart” gedoopt. “Het eerste privémuseum van de Dominicaanse Republiek” is gratis toegankelijk. In ruil daarvoor wordt van de bezoeker niets anders verlangd dan door een met glimmende Honda’s gevulde showroom naar de museumlift te lopen. Als ik de ontvangstruimte van het museum binnen loop, ben ik, ondanks alles, gelijk verkocht. Links aan de muur hangen twee kleine portretten van Afrikaanse vrouwen met een pijp in de mond. Schilderijen van Yoryi Morel, een Dominicaanse beeldend kunstenaar wiens 100ste geboortedag dit jaar wordt gevierd. Het doek roept spontaan beelden bij me op van een bezoek aan Lambaréné, een stadje midden in het regenwoud van Gabon. In het Nederland van voor de ontkerkelijking erg bekend door de leprozenkolonie van de zendeling-arts Dr. Albert Schweitzer waarvoor in “onze” kerk geld en kleding werden ingezameld. Een van mijn medewerkers was er geboren en getogen en had me uitgenodigd om een weekeinde langs te komen. Lambaréné ligt op een eiland in de rivier de Ogooué. Op zaterdagmorgen huurden we een pirogue – een boomstamkano – met buitenboordmotor om een tochtje rond het eiland te maken. De ontmoeting met nijlpaarden was uniek, maar veel gekker was de ontmoeting met een oude vrouw in een pirogue, zonder buitenboordmotor, die ons tegemoet peddelde. Novice in Afrika die ik toen nog was, kon ik mijn ogen niet geloven toen ik zag dat ze al doende op haar gemak een pijpje rookte. Bijna hetzelfde overkomt me vandaag in het museum. Nu kan ik geen genoeg krijgen van de portretten door het feest der herkenning. Yoryi (1906 – 1979) schilderde het dagelijks leven op het platteland van de Dominicaanse Republiek in voorbije tijden. Sommige gebruiken van toen leven echter voort, gistermiddag nog was ik daar getuige van tijdens “la fiesta de Atabales” een feest ter ere van San Miguel – de aartsengel Michaël. Al wat later op de dag waarschuwde een collega me dat er aan de rand van de koloniale stad van Santo Domingo een religieus feest aan de gang wa waarbij de invloed van het tradionele volksgeloof nog goed merkbaar zou zijn. “Er wordt de hele dag op trommels gespeeld en gedanst.” Hoewel ik een beetje de pest in had dat me dat pas zo laat wordt verteld, doe ik onmiddelijk mijn bureau op slot en ga erop af. In het oude, naar San Miguel vernoemde, kerkje is de mis in volle gang. San Miguel voor en San Miguel na. in het parkje voor de kerk heerst een drukte van belang. Geen gedrum, geen gedans. Wel veel mensen die lichtelijk tot behoorlijk aangeschoten zijn, zitten bij te komen of gewoon doorborrelen. Mensen met een fles bier of een fles rum, de nationale alcoholische versnapering, in de hand en een flinke sigaar in de mondhoek. Mannen zowel als vrouwen. Net zo’n oud negervrouwtje als bij Lambaréné op de rivier, zit met geloken ogen onderuit gezakt op een bankje aan haar sigaar te lurken. Vrijwel iedereen gaat gekleed in rood en groen, rood overheerst. Van een huis op de hoek is de gevel in die kleuren geverfd, op het balcon staat een portret van San Miguel. Terwijl de geestelijke in de kerk onverdroten doorgaat met het ophemelen van de superieure eigenschappen van San Miguel, klinkt op straat een trompetstoot en beginnen de drummers op hun trommels te rammen. De vonk springt gelijk over, er vormden zich kringen rond de band, er wordt energiek gedanst. Het lijkt erg op bubbelen. In het midden van de kring een man in een groene toga, sigaar in de mond, manchette in de hand. Hij wordt vergezeld door een man in het zwart en een ander die in het rood is gestoken. Zijn gezicht toont duidelijke sporen van stevig innemen. Iedereen wil hem aanraken, hij lijkt hen te zegenen. De muziek zwelt aan, er worden pinda’s in de lucht gegooid en met en bier gespoten. Dat alles betekent volgens een collega het afroepen van “suerte – geluk.” In het museum heerst de volgende ochtend weldadige rust. Een grote zaal hangt vol met het werk van Yoryi. Op de eerste schilderijen, landschappen, overheerst het rood van de flamboyantboom. Hetzelfde rood als gisteren bij het feest. Dominicaane dorpstaferelen die als twee druppels water op dorpstaferelen in Afrika lijken, maar die zijn geschilderd in de Cibao, de streek rond de geboortestad van de schilder. Vrouwen die de was doen in de rivier, overdadig groen, vrouwen die fruit verkopen uit een mand die ze op het hoofd dragen, dorpsbijeenkomsten, een vrouw die water heeft gehaald en haar omslagdoek strak trekt, blauwe en groene bergen op de achtergrond. Alle menselijke figuren hebben een donkere huidskleur. Het enige witte gezicht op de expositie is een portret. Een opdracht om aan de kost te komen? In een hoek hangt een doek vol beweging en kleur dat “el juego de la cinta – het lintenspel” als titel heeft. Mannen, uiteindelijk is het feest dus komen de mannen de straat op, die dansen om een paal waar linten aan hangen. Net alsof ze om een kerstboom dansen. Opeens heb ik door wat “dat gekke boompje” was dat ik gisteren naast de kerk zag liggen. Dat was helemaal geen boompje, dat was net zo’n paal met linten als op het schilderij. Mooie authentieke beelden uit een land waar de meiden heden ten dage zonder schaamte op straat bubbelen en waar paaldansen een onschuldig tijdverdrijf voor mannen is. |