|
INVITADO - 3 (30112006) We rijden in het donker naar Sainaguá, waar vanavond het driedaagse “Festival de Atabales – Trommelfestival” begint. Elektriciteit is duur in de Dominicaanse Republiek, erg duur. Nergens anders ter wereld zou je meer betalen voor je kilowatturen. Desondanks valt de stroom een paar keer per dag uit. Misschien is de weg daardoor wel zo spaarzaam tot helemaal niet verlicht. Slalommen om de gaten in de weg te vermijden, het langzaam nemen van verkeersdrempels en het op tijd met de vele bochten meedraaien vereist lenigheid van de voet en de handen. En dat terwijl de bestuurder bovendien de als een vliegenzwerm over de weg zoemende bromfietstaxi´s zonder achterlicht figuurlijk van zich moet afslaan. Gelukkig zit de antropologe vanavond achter het stuur en is het mijn taak om af en toe een bekertje bier in te schenken en aan te reiken. “Een Dominicaanse gewoonte”, zo houdt zij vol. Gewend als ik er aan ben om te assimileren, pas ik me ook in deze gemakkelijk aan. Tegenover de grote lichtbak met reclame voor “Colina del Placer – Heuvel van Plezier” een motel waar je kamers per uur kunt huren, naast Barber Shop Paul Newman en Colmado La Esperanza, ligt het festivalterrein. Zonder een enkele klap op de drums te hebben gehoord, ben ik meteen al verkocht. Dat komt door het altaar naast de ingang, het eerste bewijs hoezeer deze muziek en het volksgeloof met elkaar zijn verbonden. De antropologe moet het even aanraken en ik krijg een kort college altaarkunde. Het bestaat uit een tafel met een groen kleed. Ervoor staan drie met crêpepapier versierde kruisen, met aan de voet brandende kaarsen en portretjes van heiligen. Dat van Santa Marta, die een python om haar schouders heeft gedrapeerd alsof ze een stola om heeft, roept spontaan herinneringen op. Ooit stond mijn Nigeriaanse geliefde er net zo bij in de Tempel van de Python, een voodootempel in Ouidah in de Republiek Benin. Boven de tafel hangt een selectie portretten van populaire volksheiligen. De vrouwelijke – Santa Ana en de Virgen de la Mercedes - links, de mannelijke – San Santiago en San Miguel - rechts. Aan de vrouwenkant staan flesjes frisdrank, bier, roséwijn op de tafel. Een hoefijzer, een schaaltje met bruine bonen en maïs waarop sigaretten liggen. Op de mannenhelft de echte alcoholische versnaperingen. Whisky, een half geleegd flesje Chivas en een fles model Johnny Walker, en twee flesjes rum. Nog een hoefijzer en hetzelfde schaaltje bruine bonen en maïs, nu met twee puros. Allemaal offerandes. De volgens mij niet uit Schotland geïmporteerde Johnny Walker “Green Label” is er volgens de antropologe vast en zeker de offerande van een hoge functionaris. Veel mensen die het terrein opkomen staan even stil, bij het altaar, oud zowel als jong. Ze prevelen wat. Schietgebedjes? De antropologe loopt gelijk bekenden tegen het lijf. Van artiesten tot en met haar ex-echtgenoot, een schrijver die aanwezig is in zijn officiële hoedanigheid. Ik word opnieuw geïntroduceerd als “el invitado” en verval haast als vanzelf in mijn rol. Hoewel de muziek al lang had moeten beginnen, gaan de openingstoespraken onverminderd door. Iedere spreker lijdt aan de hier veel voorkomende “woorddiarree”. Om als het ware hun lijden met het aanwezigen te delen, worden de woorden keihard de microfoon in geschreeuwd. Die bij mijn weten toch is uitgevonden om de stem te versterken zodat de spreker juist niet hoeft te schreeuwen om gehoord te worden? Trots wordt gemeld dat er een groep uit “het broederland” Nigeria zal optreden en het festival nu zowaar een internationaal festival is! Een televisieverslaggever informeert bij de antropologe of ik voldoende Spaans spreek om een vraaggesprek met de Nigerianen van “gesproken ondertitels” te voorzien. Ik troef hem af door te zeggen dat ik de Nigerianen zelfs in het Yoruba zal begroeten! “Mi ogbo Yoruba – ik spreek Yoruba!” ook al zijn het maar een paar woorden. Dat houd ik uiteraard voor me. Hoewel de Nigerianen voor vroeg in de avond staan geprogrammeerd, zijn ze nog niet gearriveerd. Net als in Nigeria, is een afgesproken tijd in de Dominicaanse Republiek iets waar niet al te zwaar wordt getild. Naast het podium staat een kleurig aangeklede groep, klaar om met hun optreden te beginnen. De mannen hebben hoofdtooien die zijn versierd met pauwenveren en iets wat op een houten bijl lijkt in de hand. “Cocolos” souffleert de antropologe. Ik heb mijn huiswerk gemaakt – heb haar bijdrage aan het boek “La Ruta del Esclavo – de Slavenroute” gelezen en weet daardoor dat het de nazaten zijn van migranten die vanuit de Brits West-Indische eilanden in de omgeving naar de Dominicaanse Republiek zijn gekomen om werk te zoeken in de suikerindustrie. Er wonen er nogal wat rondom de stad San Pedro De Macorís. Het klopt helemaal. De leider wil Engels met me spreken, hij is geboren als John F. Simmons, maar getogen als Juan Felipe Simón. Zijn moeder was afkomstihg uit Nevis, zijn vader uit Saint Thomas. Thuis spraken ze Engels en hij ging naar de English School. Door hun carnavaleske kleding steken ze duidelijk af bij de rest van de aanwezigen, hun huidskleur is echter hetzelfde. Haast iedereen op het festivalterrein heeft trouwens een donkere huidskeur, ’t is net of ik in een Afrikaans dorp ben beland. De spraakwaterval droogt op, de “palos” de eenvoudige cilindervormige drums worden boven het hoofd het podium opgedragen. De eerste harde klappen op de trommels “San Pedro tiene la llave – Petrus heeft de sleutel” zo begint het eerste lied. Petrus opent de deur naar het festival, ontelbare andere heiligen zullen volgen. Er wordt enthousiast op de leren vellen van de palos geramd, de heupen en billen beginnen te bewegen, het feest is zowaar begonnen. wordt vervolgd |