|
INVITADO - 4 (02122006) De ene “Grupo de Palos” na de andere beklimt het podium tijdens de drie dagen dat het “Festival de Atabales – het Trommelfestival” duurt. De antropologe fluistert me toe dat het woord “palo” een seksuele bijbetekenis heeft en dat ik het op mijn werk beter “atabal” kan zeggen. Ik fluister terug dat “paal” in mijn moedertaal hetzelfde kan betekenen. Iedere groep heeft een favoriete heilige die uitgebreid wordt verheerlijkt. San Miguel, Santa Clara, San Antonio, San Martín, Santa Ana en ga zo maar door. Zoals bij de “candombe” uit Uruguay, zijn er drie formaten trommels: groot, middelmaat en klein. De candombetrommels hebben de vorm van een buikig vat, de Dominicaanse “palos” zijn van het eenvoudige model “recht op en neer” en meestal geverfd in een enkele kleur zonder versiersels. Het tromgeroffel is bij tijd en wijle wat eentonig, maar het spektakel is nooit saai. Dat is eerder te danken aan het publiek op het plein voor het podium, dan aan de – over het algemeen enthousiaste amateur - artiesten die erop staan. Een paar dagen eerder heb ik met de schilder en docent aan de Academie voor Beeldende Kunsten Carlos Montesino uitgebreid over het belang van het “observeren” gediscussieerd. Observeren is iets dat ik tijdens het festival aan een stuk door doe. “Aqui no somos racistas .......... Wij zijn geen rascisten, hier behandelen we negers als mensen” is de twijfelachtige opmerking die werd opgetekend uit de mond van een vooraanstaande blanke familie uit San Cristóbal. Of het door de lijdende voorwerpen ook zo werd ervaren, betwijfel ik ernstig. In Sainaguá, een dorp aan de buitenkant van San Cristóbal, bestaat de bevolking vrijwel geheel uit nakomelingen van Afrikaanse slaven. Sainaguá zou een dorp op het platteland van een West-Afrikaans land kunnen zijn. Dat gevoel wordt vesterkt door de hoge luchtvochtigheidsgraad en de drukkende warmte. Er hangt regen in de lucht. In deze omgeving is bier de meest betrouwbare dorstlesser. Na twee keer in de colmado, een kleine buurtwinkel, binnen te zijn gelopen, hoef ik niet meer te bestellen. De twee jongens van hooguit een jaar of twaalf die het winkeltje bestieren, zetten als ik binnenkom ongevraagd een grote fles koud bier op de toonbank. Ze wachten daarna keurig met het openmaken totdat ik heb gevoeld of de drank koud genoeg is. Op de stoep bij de buren eten we “yaniqueque” een verbastering van het Amerikaanse Johnny’s Cake, zo uit het cholesterol verhogende bakvet. Heeft niets met cake te maken, het is een krokante dunne wafel die op een Indiase popadom lijkt. Er wordt veel gedronken. De lokale favorieten bruine rum en bier en, voor de afdwalers van het ware geloof, whisky zo uit de fles. Mannen en vrouwen roken hun puro, een sigaar. Aan het Afrikaanse DNA van zeer oud tot zeer jong bestaat geen enkele twijfel. Een paar tikken op de drums zijn genoeg om het lichaam in beweging te zetten. Het opzwepende ritme doet zijn werk. De heupen en billen draaien en trillen, de borsten schudden, tongen hangen uit de mond. Het onophoudelijk draaien leidt soms tot een trance die door de omstanders wordt bezworen. Gekruiste polsen worden voor het gezicht gehouden alsof de duivel moet worden uitgedreven. Anderen vangen het vallende lichaam op, bezorgen het een zachte landing en helpen vervolgens bij het ontwaken uit de droom. Meestal met het gezicht van iemand die met een schok uit een diepe slaap wakker schrikt. Dankzij de antropologe ontmoet ik iedere avond andere artiesten. De 90 jarige Yerba, een “palero” iemand die de “palo - de drum” bespeelt en Geo Ripley, beeldend kunstenaar en leider van een groep die rituele voodoomuziek maakt. Duluc, die is gespecialiseerd in met voodoo verbonden “gagá”. Hij heeft een verwassen oranje T-shirt aan waarop “Nederland” staat. Nee, hij is er nog nooit geweest maar poseert graag met een grote schelp aan de lippen. De schelp waarop gevluchte slaven bliezen om met elkaar te communiceren. Uit het tasje van Xiomara Fortune koop ik in ruil voor 200 Pesos een CD, alsof er stiekum drugs van eigenaar verwisselen. Speciaal is de kennismaking met de santera Mamasi. In het clubhuis staat op de slotavond de bovenkant van een ouderwets salonmeubel. Een wat grotere kast met glazen deurtjes in het midden met aan beide kanten een kleiner kastje. Het is een altaar dat is opgedragen aan San Antonio, hetgeen is te zien aan de chocolade kleurige semi-religieuze kleding van de adepten. Mamasi zit ernaast, ze lurkt op haar gemak aan haar pijpje. De antropologe krijgt goede raad en wordt gezegend. Natuurlijk mag ik foto’s maken en samen met haar op de foto. Daarvoor neemt ze beleefd de pijp uit haar mond, iets dat ik juist niet wil. Op verzoek gaat ie terug in de linker mondhoek. Ze legt een arm over mijn schouder en noemt me “papito”. Later zegt ze tegen de antropologe dat ik bij haar thuis langs moet komen voor een consultatie. Ze heeft gevoeld dat ik tussen twee huwelijken het een en ander ben kwijt geraakt dat zij me terug zou kunnen geven. Kort daarna begint de processie naar het podium. Het altaar gaat in delen op de schouders en het hoofd. Het mooiste beeld is die prachtige jonge vrouw in kort spijkerrokje, witte laarsjes en strak chocoladebruin truitje – haar habijt? - die op haar hoofd de kast met de beeldtenis van Metresili, Onze Lieve Vrouw der Smarten, draagt. Sexy en tegelijkertijd zeer devoot. Het feest wordt me wat te wild, te veel mensen die te veel hebben gedronken. Hier en daar beginnen de dronken ruzies, hoogste tijd om op huis aan te gaan. Met opzet mijd ik de grote weg tussen San Cristóbal en Santo Domingo om nog een keer te luisteren naar de keiharde ritmische merengue die, in de slecht verlichte dorpen langs de binnenwegen, luid uit de bars en buffetten schalt. Het lijkt precies op het ritmische gillen van de akoestische gitaren tijdens die nachten lang geleden in Togo en Gabon. Het gevoel dat ik door Afrika rijd, wordt met de kilometer sterker. |