|
AAN DE WANDEL IN SAN JUAN - 4 (12122006) Een wat slonzig gekleed type in korte broek spreekt de man aan die achter ons op de bus naar Viejo San Juan staat te wachten. “Neem me niet kwalijk, maar ik moet je zeggen dat je er heel erg “guapo – piekfijn” uitziet!” De wat fatterig, jaren dertig vorige eeuw, geklede man – lang grijsblauw colbert met witte krijtstreepjes en brede lapellen, witte pantalon, gehaakte sokken, zwarte schoenen met wit bovenstuk – bedankt besmuikt. “Mij zullen ze niet in een korte broek betrappen” meldt hij, om daarna te vragen of we uit Argentinië komen. We bekennen kleur, waarop hij uitgebreid over zijn vriendschap met ex-president Carlos Menem begint en zijn bezoeken aan Olivos, de presidentiele residentie in een voorstad van Buenos Aires. In de bus komt hij naast ons zitten en onthuld een neef te zijn van Koning Juan Carlos van Spanje. “Van zijn moeder´s kant”. Op intieme toon worden ons details toegespeeld over de voorbereiding van het huwelijk van de kroonprins en hoe hij zijn neef uit de brand heeft geholpen met de gastenlijst. Mijn Argentijnse reisgenote die net als ik behoorlijk is geïnteresseerd in dit soort onverwachte ontmoetingen, houdt het gesprek gaande. “Castro, nee, Castro viel gelijk af. Die beslist altijd pas op het laatste moment of hij komt. En als ie dan komt, is het met een hele zooi lijfwachten en draagt hij dat vieze groene uniform. Uribe van Colombia wel. Nette man.” Enzovoort. Bij het eindpunt informeert hij of we toevallig paardensportliefhebbers zijn. Nee, dat zijn we niet. Waarop hij in zijn eentje kwiek richting wedlokaal stapt. In het Museum van de stad San Juan zitten de deuren van de zaal waar de Casalstentoonstelling is te zien al een paar dagen stevig op slot. Kortsluiting. Als de aardige zaalwacht de teleurstelling op onze gezichten ziet, biedt ze spontaan aan om ons in het geniep een blik te gunnen. Terwijl mijn reisgenote rondkijkt, wordt speciaal voor mij een installatie tot leven gewekt. Die bestaat uit een filmdoek met zand ervoor, een strandje. In het zand liggen losse vellen bladmuziek, midden op het strand staat een eenzame muziekstandaard. Op de scherm zijn afwisselend beelden te zien van een stormachtige zee en Casals die langs het strand wandelt. Alleen of samen met zijn vrouw Martita. Het geluid van de branding klinkt op via versterkers. Uit andere luidsprekers komt prachtige muziek, een concert voor piano en cello. Ik ga in het donker op de grond zitten en droom weg, het tentoon gestelde heb ik twee maanden geleden al eens uitgebreid bewonderd. Na een minuut of twintig begint het verdacht te ruiken, we moeten weg voordat het elektrisch nog eens kortsluit. Museale dienstverlening zoals je zelden tegenkomt. Tijdens iedere stadswandeling die ik dit jaar door het koloniale stadsdeel van San Juan de Puerto Rico heb gemaakt, en dat waren er heel wat, ben ik langs het Fort van San Felipe del Morro gelopen. Van dichtbij of van iets verder af. Vanaf de landkant en vanaf de zeekant. Het fort buiten beeld houden is vrijwel onmogelijk. Het ligt dominant op het hoogste punt van een eilandje. Met onbelemmerd uitzicht over de Atlantische Oceaan, op de plek vanwaar de ingang tot de natuurlijke haven werd beheerst. Aan de landzijde ligt een flinke grasvlakte voor het fort, waardoor de verdedigers eventuele belagers ruim van te voren in het vizier kregen. Uiteraard was dat in de tijd toen onderzeeboten, raketten en vliegtuigen nog moesten worden uitgevonden en kanonnen slechts een klein bereik hadden. Eeuwenlang ging dat goed, Engelsen en Nederlanders probeerden teverfgeefs om Puerto Rico in te nemen. Er zijn diverse monumenten die daaraan herinneren. Een hoop stenen met een zuiltje bij het wandelpad naar het fort herdenkt de mislukte aanval in 1625 van Nederlandse troepen onder bevel van Admiraal Boudewijn Hendriksz. Bij de oude stadspoort staat het beeld “la Rogativa” dat een processie verbeeldt. Gemijterde katholieke geestelijke voorop, omringd door vrouwen bewapend met toortsen. Dat misleidde de Engelse troepen in 1797 dusdanig dat ze het beleg van de stad opbraken. Ze dachten dat er Spaanse versterkingen waren gearriveerd. Wat een afgang! Tijdens de Spaans – Amerikaanse oorlog van 1898 lukte het Amerikaanse kanonneerboten in een vloek en een zucht de overgave van het fort af te dwingen. Volgens de uiterst gezwollen tekst van een documentaire die in het bezoekerscentrum wordt vertoond, begon daarna dankzij “de bevrijders” de periode van vrijheid voor de Puerto Ricanen. “Net zoals in Irak” zeggen wij sarcastisch tegen elkaar. De eerste steen voor het San Felipe del Morro werd in 1539 gelegd, zowaar het begin van de bouw van Werelderfgoed! Dat was natuurlijk in het geheel niet de bedoeling van de initiatiefnemers, die wilden gewoon hun have en goed beschermen. De eerste bouwfase werd in 1589 afgesloten, het sleutelen aan het vestingwerk zou eeuwenlang doorgaan. Er werd vrijwel zonder ophouden uitgebreid en verbeterd. Het meest recente voorbeeld van zo’n “verbetering” is de vuurtoren die door de Amerikanen in 1908 op het hoogste punt van het complex werd neergepoot. Zogenaamd architectonisch verantwoord en derhalve Amerikaans smakeloos. Van veraf lijkt het nog wel wat, maar van dichtbij is het een zwaar uit de toon vallend bouwsel. Een stomp legergrijs geverfd torentje met op de vier hoeken een “garita” een Spaans wachthuisje. Waarom is dat ding tijdens de laatste grote opknapbeurt, die van 1992 ter gelegenheid van de viering van de 500ste verjaardag van de ontdekking van Amerika, niet gesloopt? De grote weide voor het fort werd toen tenminste wel zo veel mogelijk in de oude staat hersteld. De daarop door het leger aangelegde parkeerplaatsen en het golfterrein werden zeer terecht verwijderd, waardoor er nu op zon- en feestdagen gewoon weer onbezorgd kan worden gepicknickt en gevliegerd. |