INVITADO - 6 (28122006)

In sneltreinvaart sleept de antropologe me van de ene kant van de Dominicaanse Republiek naar de andere. Terwijl we nog onderweg zijn naar San Juan de Maguana, haar geboortestad, wordt de volgende trip alweer geopperd. De reis naar San Juan duurt me veel te lang. De beloofde twee en een halfuur rijden, zijn in werkelijkheid bijna vier uur. Dat komt door de smalle tweebaansweg met veel verkeer waarop nauwelijks kan worden gepasseerd. En iedere keer opnieuw die ellendige stadjes onderweg die flink ophouden. Het landschap aan de zuid-oostkant van het eiland verschilt sterk met de rest die ik tot nu toe heb bereisd. Aan de vegetatie is te zien dat het een stuk droger is. Cactussen en van dat soort halfhartige savannegroen dat groter is dan een struik, maar nooit een echte boom zal worden. Na tot aan de stad Bani door de in bloei staande suikerrietvelden te zijn gereden, zijn het daarna tomaten, bananen en, tot mijn verbazing, rijst. Rijst gedijt toch alleen maar op water? Deskundig commentaar van de antropologe dat suikerriet dat in bloei staat veel te laat wordt geoogst en dat als tegen de avond de wind opsteekt die pluimpjes verwaaien en het net lijkt of het sneeuwt. Lauw kans in een land waar de temperatuur overdag vrijwel nooit minder dan dertig graden is.

Zoals iedereen die vlak voor de Kerst onderweg naar huis is, stoppen we bij Cruz de Ocoa – de afslag naar San José de Ocoa - om wat te eten en te drinken. Er liggen Magnum ijsjes met op de verpakking groot “HOLANDA”. Twee Euro per stuk. Voor minder doen ze het niet in het land met een minimumloon van ongeveer €100 per maand en waar een Magnum derhalve een heel erg exclusief ijsje is. Ik smul van een Classic die is “gedoopt in Europese chocolade”. Wat een gelul, nergens in Europa groeien cacaobomen. Of wel soms? Ocoa schijnt ook de plek te zijn waar iedereen zijn houten “pilónes” koopt, de grote vijzels van hout om yam, yuca en plantain in fijn te stampen. Verder, als maar verder. Het landschap verandert zienderogen. Tot aan Azua de Compostella zijn we nooit ver van de Caribische Zee, na dit stadje gaat de weg het binnenland in. De bergen worden hoger, we rijden langs de “Tetas de María Vergara” oftewel de “Tieten van Maria Vergara” bergen die inderdaad een flink stuk boven de landerijen uitsteken. Dat moet een heel pronte dame zijn geweest. Toch wel handig zo’n resigenote die me af en toe dit soort faits divers als een lekker hapje toestopt. Dichterbij San Juan akker na akker met habichuelas – bonen, maïs, rijst. Er staan veel palmen in het landschap, er hangen witte wolken boven de bergen. Net of de streek door Vincent van Gogh is gedecoreerd. De controleposten van het leger en de politie worden frequenter, om de illegale houtkap en de illegale immigratie uit Haïti tegen te gaan. Die ontbossing is goed zichtbaar. Maar in Haiti, twee uur verderop, is het kennelijk veel erger. Volgens zeggen is de grens tussen de Dominicaanse Republiek en Haiti, de enige grens ter wereld die je vanuit de lucht kunt zien, omdat er aan de Haitiaanse kant geen enkele boom meer zou staan. Een kijkje op Google Earth lijkt het verhaal te bevestigen.

San Juan de Maguana stelt geen reet voor. Wat een verschrikkelijk gezapig dorp. Veel houten huizen en huisjes, zoals overal op het platteland. Zouden die huizen en de ontbossing wat met elkaar te maken hebben? De zoals altijd veel te grote Katholieke kerk staat te glimmen in de zon. De andere kerken zijn en stuk kleiner, doch hebben weer bijzondere namen als “Kapel van het Heilig Hart van Jezus” en “Bron van Liefde en Vrede”. In het park voor het Roomse godspaleis staat een oerlelijk standbeeld om Francisco del Rosario Sánchez, een van de drie Vaders des Vaderlands, te eren. Hij werd in 1861 op de begraafplaats van San Juan gefusilleerd omdat hij zich verzette tegen de heraansluiting bij Spanje. Zijn stoffelijke resten liggen overigens in het nationale praalgraf in Santo Domingo, samen met de andere twee “vaders” Duarte en Mella. Op de zwaar overbevolkte begraafplaats staat slechts een zielloos wit geverfd betonnen muurtje met een gedenkplaat voor de held. Schots en scheef en boven op elkaar staan grafkamers en grafstenen op de dodenakker. Het enige kleurrijke is de in pasteltinten geverfde toegangspoort, de rest is wit. Terwijl de antropologe het graf van haar vader zoekt, ga ik op een hoog graf zitten om de omgeving te bekijken. Behalve de graven en de aan de andere kant van de muur gebouwde gevangenis is er niets te zien. Doodsaai.

San Juan wordt overwegend bewoond door de nakomelingen van de “cimarrónes” ontsnapte slaven die zich mengden met wat er over was van de oorspronkelijke bewoners van het eiland. Door die vermenging heeft vrijwel iedereen in het dorp dezelfde lichtbruine kleur, we komen geen enkele blanke of echt zwarte medemens tegen. We drinken koud bier in de colmado, de winkel met een op de buurt afgestemd assortiment: bier dus, frisdranken, sigaretten, snoepgoed, snacks, water, luiers, conserven, rum, olie. Zoals te doen gebruikelijk staat een van de kinderen van de uitbater achter de toonbank. Familieleden worden begroet, neven, nichten, peetkinderen, ooms en tantes. Ik verval weer in mijn rol van de “invitado” de genodigde. Bij een oom moeten we binnenkomen. Weinig meubels, niet meer dan het hoogstnoodzakelijke. Een pronkkastje van Oma met een portret van Che Guevara in de linkerbovenhoek van het deurtje gestoken. In de tuin ligt een weggegooide houten vijzel. Met afgrijzen herinner ik me hoe ik ooit op familiebezoek in een dorp in de jungle van Gabon de afgedankte drums op de vuilnishoop zag liggen, zonder dat ik daar wat van mocht zeggen. Voor de familie van mijn geliefde waren het gebruiksvoorwerpen die hun dienst hadden bewezen. Voor mij waren het kunstvoorwerpen, ondanks de staat van verval. Hoogste tijd om terug te gaan naar Santo Domingo, morgen een rustdag, overmorgen naar San Pedro de Macoris, de stad van de Cocolos.