RODOLFO WALSH (30032007)

Op 24 maart 2007, de nationale herdenkingsdag van het begin van de militaire dictatuur in 1976, is er veel aandacht voor Rudolfo Walsh. De flink links leunende activist, schrijver en journalist die 30 jaar geleden van de aardbodem verdween. Overal in de stad hangen affiches. De televisie zendt een documentaire over hem uit. Lilia Ferreyra, zijn laatste levensgezel, vertelt hoe ze samen op 25 maart 1977 met de trein naar Buenos Aires reisden. Hoe hij de avond ervoor, op de eerste verjaardag van de militaire dictatuur, op zijn Olympia kofferschrijfmachine nog wat kopieën van de “Open Brief aan de Junta” had getypt. Een lange aanklacht tegen de militaire machthebbers, die via het verzet in de hoofdstad zouden worden verspreid. Hoe ze op het station van Constitución uit elkaar waren gegaan. Dat ze later op de dag terug naar huis zouden gaan en elkaar op het hart hadden gebonden vooral niet te vergeten om de jonge slaplantjes water te geven. Alledaags gekeuvel van twee mensen die elkaar daarna nooit meer zouden zien. Vervolgens komt dochter Patricia in beeld. Het vraaggesprek vindt plaats in het stadsdeel San Cristóbal, op de hoek van de avenidas Entre Rios en San Juan, voor het plompe gebouw waarin een filiaal van de Banco de la Nación is gevestigd. Daar ongeveer, om een uur of half twee ´s middags, werd de kennelijk op alles voorbereide, Walsh opgewacht door leden van de geheime dienst van het regime. Die hadden de opdracht hem te arresteren en over te brengen naar het sinistere detentiecentrum dat was gevestigd in het ESMA - de Escuela de Mecánica de la Armada. Zover zou het niet komen, Walsh verzette zich met zijn .22 kaliber revolver. Onbegonnen werk tegen het zwaar bewapende arrestatieteam. Een van de leden zou later verklaren: “We schoten Walsh op straat neer. De klootzak verschanste zich achter een boom en verdedigde zich met een .22! We schoten hem overhoop en die lul ging niet eens neer!.” Volgens getuigenverklaringen kwam hij levenloos aan in het ESMA met, alsof hij een sjerp droeg, een breed spoor van dwars over zijn borst ingeslagen mitrailleurkogels. Zijn stoffelijk overschot is sindsdien spoorloos.

In het Culturele Centrum van Recoleta is een kleine tentoonstelling aan Walsh gewijd. Vooral veel portretten, sterk uitvergrote reprodukties van zijn open brief, foto’s gemaakt tijdens de opnamen van de verfilming van zijn boek “Operación Masacre”. Net zoals zijn dood op een toevallige samenloop van omstandigheden lijkt, was dit boek ontstaan. Illegale doodseskaders van de politie arresteren op 9 juni 1956 in het dorp Florída een groep mannen die betrokken zouden zijn geweest bij een staatsgreep tegen Generaal Aramburu. Ze worden met een stadsbus afgevoerd en zonder vorm proces op een vuilnisbelt voor het vuurpeloton gezet. Als Walsh later dat jaar in een café in de provinciehoofdstad La Plata zit te schaken, vangt hij een gesprek op over iemand die de fusillade zou hebben overleefd. De onderzoeksjournalist Walsh zet zijn tanden in het verhaal en komt in contact met de overlevende en via hem met nog zes anderen. Via hun getuigenissen reconstrueert hij de gebeurtenissen en schrijft een boek dat in feite een felle aanklacht wegens moord is. Moorden die straffeloos werden getolereerd. Aan de muur van de expositieruimte hangen cd-spelers waarop, 30 jaar na zijn dood, is te horen hoe Walsh uit eigen werk voorleest. Vraaggesprekken in verhaalvorm. Eén met Perón als balling in Madrid en één met de kolonel die belast was met het “zoek maken” van het stoffelijk overschot van Evita. Sfeervolle weergaven van gesprekken met mannen die, al rokend en drinkend, ieder op hun eigen manier een bijzonder verhaal over Evita vertellen.

De dode Walsh begint te leven. Ik herinner me vorig jaar zijn naam ontelbare keren te hebben gehoord tijdens de tentoonstelling “la Memoria” waar de donkere jaren van de dictatuur werden herdacht. De rode draad van die expositie was het gelijknamige lied van León Gieco, dat continue uit de luidsprekers klonk “América con almas destruidas, los chicos que mata el escadrón, suplicio de Mugica por las villas, dignidad de Rodolfo Walsh”. Walsh aan wie ik nooit aandacht aan had besteed door het pleintjes op een paar honderd meter van mijn huis dat aan hem is opgedragen. Teksten op een blinde muur en een pop die de schrijver voorstelt op een balkon. Zo verschrikkelijk popie jopie dat ik me niet kon voorstellen dat dit om een serieus iemand zou kunnen gaan. De man, nota bene, die tijdens zijn journalistieke werk in het Cuba van na de revolutie de code kraakte van CIA-berichten over de aanstaande tegenrevolutie en de landing aan het strand van de Varkensbaai. Dankzij Walsh waren de Cubanen op alles voorbereid en mislukte die invasie smadelijk! De man die de moed had om de junta aan te klagen en na een jaar dictatuur gedetailleerd aantoonde hoe groot de repressie was. Om dat laatste te bewijzen kom ik verderop in de straat stille getuigen tegen, namen op straattegels van mensen die verdwenen.

Na de expositie te hebben bekeken en zijn stem te hebben gehoord, wandel ik de drie kilometer naar de plek waar Walsh werd doodgeschoten. Onderweg lacht de beeldtenis van zijn dochter Patricia me overal toe. Zij is namens de linkse splinterpaqrtij MST kandidaat “Jefa de Gobierno – Voorzitter van de Stadsregering” voor de verkiezingen van juni. Ze maakt geen schijn van kans. Net zomin als haar vader op het kruispunt waar ik sta geen schijn van kans maakte tegen de mannen die hem opwachtten. Op de gevel naast de ingang van de bank staan met viltstift geschreven teksten die aan Walsh herinneren “Al strijdend viel op deze plek Rodolfo Walsh, schrijver en journalist, lid van de leiding van de Montoneros. Sneuvelde tijdens het verspreiden van zijn open brief aan de moordadige junta. De onderdrukkers Astiz en Acosta konden hem niet te pakken krijgen, moesten hem zonodig op straat doodschieten. Zijn ideeën hebben ze niet te pakken kunnen krijgen!”