COLOMBO - 1 (07052007)

Struinend door Buenos Aires kom ik de nalatenschap van de architect Virginio Colombo (Milaan 1885 – Buenos Aires 1927) tegen. De erfenis bestaat uit een aantal opvallende – en een heleboel een stuk minder in het oog springende - door hem ontworpen huizen en gebouwen. Soms zijn die licht tot zwaar verminkt door de nieuwe eigenaren. Het geluk bij dat ongeluk is dat ze in ieder geval aan de slopershamer zijn ontsnapt. Het materiaalgebruik en de soms wat bizarre façades vragen en trekken de aandacht van de voorbijganger, als die tenminste de moeite neemt omhoog te kijken. Het is niet de eerste keer dat Colombo mij opvalt. Zonder het me te realiseren wat ik op het spoor was, maakte ik jaren geleden foto´s van een paar gebouwen van zijn hand. Dom, want in deze stad staat de naam van de architect vaak in de gevel gehakt en wat gegoogel doet de rest. Ergo: een kind kan de was doen, maar toen nog niet. Mijn ogen worden deze keer toevallig geopend als ik een gebouw in het stadsdeel Balvanera sta te bewonderen dat overdadig is gedecoreerd met gebeeldhouwde figuren. Op de eerste etage zijn prettig ogende schaars geklede dames rond de ramen gedrapeerd, mollige cherubijntjes ondersteunen de balkons van de hoger gelegen verdiepingen en bekronen de dakkapellen. De komende en gaande mannen en vrouwen van het gebouw hebben een wat donkerde huidskleur en steile zwarte haren. Zoiets doet vermoeden dat dit een overbevolkt mensenpakhuis voor Bolivianen en Peruanen is. De mensenstroom wordt onderbroken door een Argentijnse heer die de voordeur wil openen. “Het moet een plezier om in een zo’n apart gebouw te wonen” zeg ik tegen hem. Hij bijt. Maar wonen doet hij er niet, hij is de uitbater van een pension op de bovenste verdieping. “Bolivianen?” Helemaal fout, het zijn autochtonen uit de noordelijke Argentijnse provincies die aan Bolivia grenzen. Eindelijk eens een import Argentijn die dat ruiterlijk toegeeft. “Die grens betekent niets voor die mensen. Die vinden dat een koloniale uitvinding”. Ik herinner me datzelfde sentiment nog uit Afrika.

Het aanbod om de hal te bekijken, neem ik gretig aan. Meer vrouwenfiguren, die voor de verandering een vergulde wanddecoratie ondersteunen waarin ooit een mooie lamp moet hebben gezeten en waarin nu een oerlelijke hedendaagse gedraaide tl-buis is gemonteerd. Een glas in loodraam boven de deur van het trappenhuis, een art nouveau voordeur van smeedwerk, met wit marmer beklede wanden, een open doorkijkje naar de naastgelegen hal die het spiegelbeeld is van die waarin ik sta. Het gebouw heeft een dubbele entree. En passant memoreert de pensioneigenaar dat er nog een paar andere huizen van Colombo in de buurt staan, zoals dat aan de overkant van de straat. Door het grote verschil in stijl, dat aan de overkant is een toonbeeld van sobere strengheid, steek ik voor de zekerheid over, zijn naam staat inderdaad in de gevel. “Het rode huis van twee verdiepingen een paar straten verderop” is, ondanks langdurig zoeken, niet te vinden, de Pasaje Colombo aan de Calle Rivadavia wel. Een groot gemengd complex - woningen en bedrijfsruimten - in alweer een andere stijl, classicistisch zonder enige opsmuk. Maar .............. absoluut niet van de hand van Virginio Colombo. De naam van de passage is voluit Pasaje Carlos Ambrosio Colombo en werd ontworpen door Carlos Heynemann, bovendien gebouwd tussen 1890 en 1893. Colombo was geen wonderkind die een dergelijk gebouw al op 5 jarige leeftijd zou hebben kunnen ontwerpen. De eigenaar van het hostal “Tanguera” aan de Calle Chile beweert dat het huis waarin zijn pension is gevestigd, in 1895 door de 10 jarige door Colombo zou zijn gebouwd en op de monumentenlijst van Buenos Aires zou staan. Het gebouw staat niet op de lijst, is wel van de hand van Colombo – zijn naam staat boven de voordeur – en werd tot mijn verrassing drie jaar na zijn dood – in 1930 – gebouwd. Een postuum bouwwerk? In de winkel op de begane grond wordt een internetcafé ingericht en in de andere helft van het huis is de “Escuela Técnica de la Moda” van directrice Totona Niveloni gevestigd. Een strakke functionele gevel met weinig versiering, slechts vlak onder de daklijst zijn er een paar engeltjes geplakt. De halfronde ramen en de motieven in de lijsten zijn zeer herkenbaar, dat stijlelement werd door de jaren heen en in veel ontwerpen toegepast.

Begin 2003 stelde ik de “Piazzolla Pelgrimage” samen, een stadswandeling langs alle huizen waar de tangogrootheid in Buenos Aires had gewoond. In de Calle Sarmiento, vlakbij het pension waar Astor in 1939 zijn intrek nam, stond een verwaarloosd bouwwerk dat een opzichtig met uitdagend geklede dames en blote engeltjes versierde gevel had. Ooit was daar de sociëteit van de “Unione Operai Italiani - de Italiaanse Arbeiders Vereniging” gevestigd. Volgens hen die het kunnen weten, is dit uit 1913 daterende gebouw een schoolvoorbeeld van de eclectische stijl. Even in het verklarend woordenboek opgezocht. Daarin wordt “eclecticisme” gedefinieerd als “het streven om verschillende denkvormen, werkwijzen, stijlen of motieven tot iets nieuws te versmelten”. Beslist een fraaie verklaring voor een architectonische allegaartje. De twee gebouwen met de zwaar versierde gevels, horen overigens tot het vroegste werk van Colombo in de Argentijnse hoofdstad. Daarna sloeg de versobering geleidelijk aan toe. Het postume hostal uit 1930 is, in vergelijking met het vroege werk, bijna minimalistisch. De hernieuwde kennismaking met Colombo maakt me knap onrustig. Niet dat hij een “beroemde” architect is, maar wel iemand die zijn sporen in de stad heeft achtergelaten. Gezien de sloopwoede die er in Buenos Aires heerst, oerlelijke verbouwingen, het gebrek aan stadsplanning of een degelijke bescherming van uitzonderlijke bouwwerken, vind ik dat alles wat nog overeind staat zo snel mogelijk moet worden bekeken en worden vastgelegd voor mijn beeldarchief.

wordt vervolgd