DAGBOEK TERSCHELLING - 1 (19082007)

Woensdag, 15 augustus 2007. Mijn neef en nicht geloven me niet echt en moeten erg hard lachen als ik even ten noorden van Amsterdam beken de Afsluitdijk nog nooit te hebben gezien, laat staan te zijn overgestoken. We rijden door de Wormer en de Beemster, mooie Hollandse polders. Na de overbevolkte Randstad doet het verfrissend aan plots zoveel ruimte en groen te zien. Nederland lijkt opeens een heel stuk minder vol. Terwijl ten zuiden van Amsterdam traditionele molens met vier wieken het landschap sieren, zijn het ten noorden van de hoofdstad moderne molens met drie wieken die windenergie leveren. Het eeuwenoude principe is niet veranderd, slechts de vorm. We stoppen kort bij het monument van Lely, op de plek waar de dijk op 28 mei 1932 werd gesloten en de Waddenzee en de Zuiderzee definitief van elkaar werden gescheiden. Er staat een stevige wind. Vanaf de uitkijktoren heeft die kaarsrechte dijk met aan beide kanten water zelfs iets Bijbels, werd zo niet het water van de Rode Zee gescheiden om de Israëlieten uit Egypte te laten ontsnappen? De naam “Afsluitdijk” vind ik trouwens een mooi voorbeeld van een met Calvinistische soberheid doortrokken practische naamgeving, die zonder opsmuk heel precies beschrijft wat voor bouwwerk het is.

Kort na het oversteken van de dijk bereiken we Harlingen, de stad waaruit de familie van mijn moeder afkomstig is. Eerder op de dag las ik in een elektronische Amerikaanse krant een bericht vanuit het stadje Harlingen, Texas, waarin over overstromingen in het zuiden van de Verenigde Staten werd bericht. Het bordje bij de stadsgrens waarop wat overdreven “Harlingen wereldstad” staat, slaat waarschijnlijk meer op de tweeling aan de andere kant van de oceaan, dan op dit wat slaperige stadje aan de Waddenzee. “De Steenen Man” - een Januskop op een zuil op de zeedijk - een standbeeld ter ere van Caspar de Robles, activeert een deel van mijn herinnering dat tientallen jaren een sluimerend bestaan heeft geleid. Mijn grootouders waren trouwe abonnees op de Harlinger Courant waarin de afbeelding van de Steenen Man vaak prominent was afgedrukt. De Robles, Spaans landvoogd van Groningen en Friesland van 1568 tot 1576, beslechtte de ruzie over wie moest opdraaien voor de kosten van het dijkherstel na de Allerheiligenvloed van 1570. De Robles verdeelde de zeedijk tussen “binnendijkers” en “buitendijkers” en op de plaats waar de verantwoordelijk voor herstel en onderhoud voor de ene groep ophield en voor de andere begon staat zijn standbeeld als ware het een grenspaal. De dijk is in de loop der eeuwen herhaaldelijk opgehoogd. Iin het dijklichaam liggen markeringsstenen die de vele meters verschil in dijkhoogte laten zien tussen wat in de middeleeuwen nog voldoende was om het water buiten te houden en de hedendaagse “Deltahoogte”.

De veerboot “Koegelwieck” van Rederij Doeksen maakt de oversteek van Terschelling in drie kwartier. Zeehonden op de drooggevallen zandplaten, vissersboten, de smalle vaargeul van de vaste wal naar Vlieland en Terschelling is een goed gemarkeerde “zeeweg”. Voor mijn gevoel staat de vuurtoren “de Brandaris” er lang niet zo stoer bij als lang geleden tijdens mijn vorige bezoek aan het eiland. Maar als het eenmal donker is, schuiven de banen licht net als vroeger iedere vijf seconden langs de hemel.

Donderdag, 16 augustus 2007. “Omoe’s Huus”, het in 1900 gebouwde huis waar ik zo gastvrij ben ontvangen, staat aan de buitenkant van Midsland. Op minder dan 100 meter is het Stryper kerkhof. Daar zijn de silhouetten van de kerkjes die hier in het verleden hebben gestaan – de eerste zou rond het jaar 900 zijn gebouwd - en de resten van het kerkhof van het buurdorp Seerijp (Stryp) te zien. Er staat nog een handvol grafzerken, waarvoor vooral “stoeppalen” werden hergebruikt. Stoeppalen dienden voorheen om af te palen welke stoep bij welk huis hoorde, erfgrenspalen. De stenen palen hebben verschillende afmetingen, zijn met gehakte motieven gedecoreerd, hebben geen enkele geschreven aanduiding wie er onder ligt begraven, staan schots en scheef in de grond en de meeste zijn, jammer genoeg, deels bedekt met een mosachtige groene aanslag. Desondanks zijn ze erg sierlijk.

Even verderop staat het standbeeld van het Stryper Wyfke, die in het jaar 1666 zou hebben voorkomen dat Engelse troepen, die West-Terschelling al in de fik hadden gestoken, hetzelfde met de overige dorpen op het eiland deden. Onderweg van West richting Seerijp komen de soldaten vlakbij het Stryper kerkhof een vrouwtje tegen. Het kerkhof was toen nog een echt kerkhof vol met zerken. De soldaten vragen wat dat daar in de verte is. “Er staan er bij honderden en er liggen er bij duizenden” zou haar antwoord zijn geweest. De Engelsen vermoedden een hinderlaag en maakten rechtsomkeert. Hoogstwaarschijnlijk een fabel, maar één die veel gelijkenis vertoont met een gebeurtenis in 1797 op het eiland Puerto Rico waar eveneens toch wel wat schijtebroekerige Engelse soldaten bij betrokken waren. Dicht bij de oude stadspoort van San Juan staat het standbeeld “La Rogativa” een katholieke geestelijke voorop – hoe kan het anders? – die is omringd door vrouwenfiguren met toortsen. San Juan was belegd door de Engelsen, de bevolking was wanhopig, versterkingen uit het binnenland kwamen niet opdagen, het voedsel raakte op. Ten einde raad werd een processie georganiseerd om de hulp van boven in te roepen. De bisschop voorop, honderden vrouwen met toortsen en rinkelende bellen achter hem. De Engelsen, die vermoedden dat troepenversterkingen waren gearriveerd, gingen er hals over kop vandoor!

We maken ’s middags een lange wandeling dwars door de duinen naar West aan Zee en loungen in de zon op banken en stoelen die zijn gemaakt van afgekeurde steigerplanken. Trendmeubilair dat plots op veel plaatsen in het vaderland is te zien.

wordt vervolgd