|
KAAPSE KRONIEK - 1 (02112007) Dinsdag, 23 oktober 2007. “Nee, wij kleurlingen wonen in de townships” vertelt de chauffeur die me van het vliegveld ophaalt. Alsof zoiets heel vanzelfsprekend is en misschien is dat ook wel zo. Welkom in Zuid-Afrika, welkom in Kaapstad. Hij heet Eugene Alberts en spreekt Afrikaans. Als hij dat langzaam doet en ik langzaam Nederlands spreek, begrijpen we elkaar zonder al te veel moeite en zonder gedwongen te zijn een vreemde taal te spreken. Toch wel leuk en bovenal handig. Onderweg naar het centrum van de stad passeren we het Groote Schuur Ziekenhuis. Eugene test mijn kennis. Gelukkig herinner ik me de historische eerste harttransplantatie door Dr. Christiaan Barnard aan het einde van de jaren 60 van de vorige eeuw. Het stadscentrum ligt er vroeg op de avond totaal verlaten bij, zelfs een beetje luguber. Stiller nog dan het centrum van Rotterdam op deze tijd van de avond en dat wil wat zeggen voor hen die weten hoe dat er uit ziet. Vanuit mijn hotelkamer op de 31ste verdieping is door de duisternis weinig te zien van het op de hotel website beloofde majestueuze uitzicht op de Tafelberg, over de haven en het Robben Eiland. Woensdag, 24 oktober 2007.Als een donderslag bij heldere hemel treft mij het indrukwekkende gezicht op de Tafelberg. Vanuit de lift – hysbak in het Afrikaans - nog wel. Zo’n glazen kooi met uitzicht naar alle kanten die langs de buitenkant van het gebouw op een neer zoeft. Totaal onvoorbereid bovendien, wat de verrassing des te groter maakt en voor de bijzondere ervaring zorgt van het herkennen van een beeld dat ik, ik weet niet hoe vaak in mijn leven, op tekeningen, foto’s en in films heb gezien. Mijn nieuwe werkplek is vlakbij, in de Riebeekstraat, zonder “ck”. Vernoemd naar de man die Kaapstad, in opdracht van de Vereenigde Oostindische Compagnie, in 1652 heeft gesticht. Aardige nieuwe collega’s, van zeer blank tot zeer donker. Veel vrouwen met hoofddoekjes en lange rokken, nakomelingen van de Maleisische politieke gevangenen en slaven die door de VOC naar de, voor onze voorvaderen, Kaap de Goede Hoop werden overgebracht. Voor hen moet dat heel wat minder goede kaap zijn geweest. Engels is de voertaal, dat is bedrijfsvoorschrift. Met een speciale secundaire arbeidsvoorwaarde – of gewoonweg eigen belang - word ik op het toilet geconfronteerd. Daar hangt op een niet te missen plek een dispenser met gratis condooms die zouden moeten helpen om Aids te voorkomen. ’s Ochtends om 10 uur al leeg! Dat roept toch wel enige bewondering op, en lichte jaloezie, met betrekking tot het libido van de nieuwe collega’s. Maar de volgende dag en de dag daarna is de dispenser nog steeds leeg. Loos alarm of is de strijd opgegeven? Waarom hangt dat ding er dan eigenlijk nog? In de “Cape Times” staat een fotocollage afgedrukt van Che Guevara in het gezelschap van Ghandi, Nelson Mandela en andere wereldbekende gezichten. Che steekt er met kop en schouders boven uit. Het gaat echter niet zozeer over hem als wel over het commerciële gebruik – of misbruik - van de afbeelding van legendarische personen. Che torent, niet ten onrechte, boven iedereen uit. Hij is vast en zeker het goedkoopste wereldmerk ooit. De fotograaf Alberto Korda die de beroemde beeltenis van Che op 5 maart 1960 op de gevoelige plaat wist vast te leggen, heeft nooit een cent auteursrecht gezien. Omdat ik nog steeds een gloeiende hekel heb om alleen in een restaurant te zitten, ben ik voorlopig weer tot “roomservice” maaltijden veroordeeld. Het kleine menu heeft een aantal lokale specialiteiten zoals Koedoe en Kingklip. Het internet doet het niet. Volgens de bediening is kingklip een vis en koedoe vlees. Morgen eerst maar eens uitzoeken wat voor vlees of vis ik in de kuip heb. Voor de zekerheid, heel laf vind ik achteraf, valt de keus op een onschuldige lamscurry. Wat ik zonder na te denken drink is de typisch Zuid-Afrikaanse roodbruine rooibosthee, waar ik tijdens een eerder bezoek aan het land kennis mee maakte. Naar het schijnt geneeskrachtig, hoewel ik absoluut niets mankeer of onder de leden heb, en lekker bovendien. Donderdag, 25 oktober 2007. Bij daglicht is het uitzicht vanuit mijn hotelkamer inderdaad spectaculair. Een woud van bouwkranen markeert de plek waar een stadion voor het wereldkampioenschap voetbal van 2010 uit de grond wordt gestampt. Mede dankzij het lobbyen van Nelson Mandela is Zuid-Afrika het eerste Afrikaanse land dat als gastland mag optreden. Iets verder weg, maar toch 12 kilometer uit de kust, ligt het Robben Eiland waar dezelfde Nelson Mandela tijdens het Apartheidsbewind jaren lang gevangen zat en als dwangarbeider in de steengroeve werkte. Gekke symboliek. Het eiland werd in 1999 tot “cultureel werelderfgoed” verklaard – hetgeen ik enigszins overdreven vind. Het is een populaire toeristische bestemming. “De gidsen zijn voormalige gevangenen” vertrouwt een collega me toe. Bij de Kaapse VVV wordt de “Robben Island – Township combo” aanbevolen “een week van te voren uitverkocht”. Een sentimentele apartheidstoer voor mensen met hang naar het verleden dat nooit terug zal komen? Wat in veel landen een exclusieve schotel zou zijn, waar elders kan een lekkerbek voor een redelijke prijs antilopenvlees eten?, staat in mijn hotel gewoon op het menu. Koedoebiefstuk. De koedoe – tragelaphus voor de kenners – is volgens de omschrijving die ik lees “de mooiste van alle antilopen” en wat mij betreft vooralsnog de lekkerste. Hoewel, het haalt in de verste verte niet bij de “bife de lomo” de malse koeienbiefstuk zoals die in Buenos Aires wordt geserveerd. wordt vervolgd |