OP ZOEK NAAR CHE! - 3 (25122007) - gastbijdrage van Paul Boute

La Higuera del Che, Quebrada del Yuro - 9 oktober 2007. Vroeg op, bij het krieken van de dag. Vanwege het voornemen om naar het dorp Abre del Picacho te gaan dat verderop en hoger (2.280m) dan La Higuera ligt. Daar waren Che en zijn mannen rond de 26ste september 1967, twee weken voor hun laatste slag. Het dorp vierde feest en liet de guerrilla’s in de feestvreugde meedelen. In zijn dagboek schrijft Che daar over, juist op die dag spande het net van het Boliviaanse leger zich nog strakker om de rebellen. We lopen langs de huizen waar Che en zijn makkers hebben rondgelopen, waar het feest is geweest, waar ze inkopen hebben gedaan bij de burgers. Er hangt ochtendnevel waardoor het zicht op de aan de overzijde gelegen bergrug beperkt is. Het is een eenvoudig dorp, zoals La Higuera en zoals Pucara. Op de terugweg naar La Higuera passeren we een oudere kerel. Don Pauli. Hij en zijn vijf jaar jongere broer Don Manuel (63) zijn de twee burgers die op last van de militairen gevorderd werden om mee te helpen Che uit het dal naar het dorp te brengen. Che was door een kogel aan zijn been gewond en kon niet zonder hulp naar boven. Ze hadden niet veel zin om deel te nemen aan de militaire actie, maar de burgemeester van La Higuera, beval ze mee te gaan.

We ontmoeten Don Manuel bij het binnen rijden van La Higuera, bij het centrale plein. Daar staan meerdere beelden van Che en het schoolgebouw waar hij de dood vond. Beide broers willen wel met ons mee naar het ravijn. Na korte tijd gaan we van de weg af en komen tussen stekelig struikgewas terecht. De ochtendkou is verdwenen. De temperatuur loopt snel op. Het pad waarop wij lopen gaat omgekeerd evenredig. Dat daalt aanvankelijk langzaam, dan steeds sneller. De heren vertellen wat ze deden op de 8ste oktober 1967, een dag zoals vandaag of gisteren. Ze waren jongemannen van 28 en 23 jaar oud. Ze vertellen over de soldaten, hoe nerveus ze waren, over een majoor die trilde als een espenblad en het bijna in zijn broek deed. Over enkele van de mannen van Che die op de dag van het feest in Abre del Picacho op deze plek in een hinderlaag waren gelopen. Miguel, Coco en Julio lieten het leven. Gedenktekens, met hun namen beschilderde keien en voor een van hen een soort altaartje met foto’s, liggen als markeringspunten op het stoffige pad. Het is moeilijk te zeggen of dit exact de plek is waar ze zijn gesneuveld. Maar het moet wel dichtbij zijn geweest.

We lopen verder. Langs een grote open plek waar koeien grazen, aan de overkant van dat veld gaat de weg nog steiler naar beneden. Het is uitkijken geblazen. Opperste concentratie om niet uit te glijden of over keien te rollen. Ik begin een indruk te krijgen hoe Che en zijn metgezellen die zelfde weg omhoog werden gevoerd. Gewond, uitgeput, met de dreiging van de dood voor ogen. Het abrupte einde van een avontuur dat ze zich heel anders hadden voorgesteld. Revolutionary people are not normal people. Juist op zo’n moment deze uiterste consequentie van hun daden te ervaren, geeft volle betekenis aan die uitspraak. Che is zich zeer bewust geweest dat alleen al het beginnen aan een guerrilla betekent dat je de dood als vanzelfsprekend aanvaardt, dat je dood bent als je eraan begint. Dat alles is meegenomen als dat niet zo is. Maar het is wel het geval! Er dringt zich een parallel op met de laatste vierentwintig uur van Christus, de doodsnood en de totale verlatenheid. Getsemaneh, Golgota. Een parallel die zich in Valle Grande de volgende dagen opnieuw opdringt als de mensen daar langs de dode Che lopen.

Na ruim een uur afdalen, komen we beneden bij de beek aan die door de Quebrada del Yuro stroomt. We springen erover. Hij is niet al te breed. Dan sta ik in de schaduw van bomen op de plek waar Che zijn laatste uren als vrije guerrillero heeft doorgebracht. Waar hij is gewond geraakt, ontwapend. Aan de rand van een aardappelveld, dat er nog steeds ligt en met aardappelen wordt bebouwd. Een tamelijk jonge kerel die van na 1967 moet zijn, beheert het veld. Er ligt een grote kei met Che’s naam er op en de datum van 8.X.67. Verderop aan de rand van het veld een nog grotere kei waartegen een poster met het portret van Che. Ik laat het op me inwerken. We praten over toen. Ik film de omgeving, maak foto’s van de mannen en zij van mij. Het is onwerkelijk en toch waar.

Ik wil om 12.10 bij het schoolgebouw van La Higuera zijn. Volgens mij het moment waarop Che daar op 9 oktober 1967 werd geëxecuteerd. Het gaat lukken. Doorweekt van het zweet loop ik het dorp in en kom mijn metgezellen, die de tocht naar beneden niet hebben gemaakt, weer tegen. Er is net, om kwart voor twaalf, een indrukwekkende herdenkingsbijeenkomst geweest. Je kunt niet alles hebben. Maar ik zie de mensen er nog rond lopen. Ouderen, maar ook weer veel jongeren. Cameraploegen zijn hun spullen aan het inpakken. Ik krijg van mijn medereizigers een zakje met aarde aangereikt. Een souvenir uit de tuin van het schoolgebouwtje. Er zijn kennelijk meerdere versies van het tijdstip waarop Che is gestorven. Ik houd het op 12.10 uur. Op die tijd sta ik in het tot museum omgebouwde schooltje. We zetten onze naam in een register. Het gebouwtje loopt langzaam leeg. De twee lokaaltjes die het in 1967 had, zijn een groot vertrek geworden. Ik sta op de plek waar Sergeant Mario Teran op last van zijn meerderen, doch ook min of meer vrijwillig, de taak op zich had genomen om Che dood te schieten. Recht in het hart. Di Buen Dia A Papá! Revolutionary People Are Not Normal People. Zijn pelgrims dat wel?

slot