|
KAAPSE KRONIEK - 4 (18112007) Zondag, 28 oktober 2007. Zo te zien zijn vogelverschrikkers in Stellenbosch de artistieke uitlaatklep bij uitstek. Het aardbeienveld waar we stoppen staat er vol mee. Te gek voor woorden. Fraai opgetuigde vogelverschrikkers op de fiets, op de bromfiets, op de tandem, op de vélocipède zo’n 19e eeuwse fiets met een gigantisch voorwiel. Zwarte vogelverschrikkers en witte vogelverschrikkers, vogelverschrikkers die in de bomen hangen. Op de achtergrond de golvende wijngaarden met her en der een stralend wit geschilderd huis in de Kaaps Hollandse stijl en de Hottentotten Hollandbergen. Een feeëriek plaatje. De mooie vergezichten en aardbeien leiden tijdelijk af van het einddoel: lunchen en wijn proeven. Een paar bekende bodega’s, waaronder die van de golfer Ernie Els, zijn op zondag gesloten. De calvinistische geest van de Hugenoten waart nog rond. Er zit niets anders op dan naar Spier te gaan, dat meer op een pretpark lijkt dan een gedistingeerd wijnhuis. Het zij zo. Voor iets meer dan 2 Euro kunnen er vijf, niet de duurste, wijnen worden geproefd. In Argentinië ben ik jaren geleden van Cabernet Sauvignon op Malbec overgestapt, een bijna exclusieve Argentijnse wijn omdat die druivensoort vrijwel nergens elders wordt verbouwd. In geval van “nood” drink ik graag een Sauvignon Blanc, die In Zuid Afrika – gelukkig maar – in overvloed voorhanden is. Het lekkerste voor het laatst bewaren. Achtereenvolgens worden de rode Pinotage-Shiraz en Malbec-Cabernet Franc-Petit Verdot geproefd, gevolgd door de Chenin, nog een Chenin en de Sauvignon Blanc. Die Malbec vermengd met van alles en nog wat, wordt mij aangeboden na te hebben bekend in Argentinië te wonen. Waarop mensen die naast mij staan te proeven zich afvragen wat ik in Zuid-Afrika heb te zoeken op een wijnproeverij. Het voelt inderdaad aan als een soort vreemdgaan. Hoewel dat ook best iets is waarmee veel plezier valt te bleven………zo lang het tenminste goed gaat. Mijn culinaire ontdekkingsreis gaat verder in het Jonkershuis, een van de restaurants op het wijngoed. Zuid-Afrikaans eten en drinken op het terras met uitzicht op een parkachtige omgeving met brutale eekhoorns en de heerlijke geur van bloeiende lavendel. Slaphakskeentjies – kleine gemarineerde uitjes, bobotie – een ovenschotel van gehakt toegedekt met een laag aardappelpuree - en melktert – melktaart - toe. Allemaal redelijk smakelijk, doch niet bijzonder. De witte Boschendal Chardonnay - Pinot Noir is eigenlijk het lekkerst. De beschrijving op het etiket van de fles is zowat lyrisch: “De legende van de Boschendalwijn gaat terug tot 1685. Chardonnay - Pinot Noir is een unieke melange van druiven die op de koele berghellingen met dieprode aarde groeien. De Chardonnay zorgt voor de volle smaak en de ruggengraat, de Pinot Noir voegt daar het fruitige en de elegantie van een vleugje rode bessen aan toe.” De schrijver van een heel andere “Boeketreeks” dan de bekende, heeft ongetwijfeld vele uren, al nippend, op deze tekst gezwoegd. Het smaakt er niets beter of minder om. Zo is ook na de elegantie en de welvaart die van Stellenbocsch en omgeving afdruipt, het heel gewoon dat we op de terugweg naar Kaapstad de armoe van de township Khayelitsha aan het oog voorbij zien trekken. De tweede keer vandaag dat de grote tegenstellingen tussen arm en rijk zo dicht bij elkaar liggen dat het moet opvallen. De rassenscheiding mag dan tot het verleden behoren, op een bepaalde manier gaat het onverminderd door. Zouden ze dat nu ook in de Nederlandse televisieserie “Stellenbosch” laten zien? Donderdag, 1 november 2007. Dineren in “l'Aubergine”. Áls wij aan tafel gaan, in opnieuw een halfduister restaurant, stapt net een echtpaar op met de mededeling dat er niets van hun gading op het menu staat. Ik kies voor “warthog – wrattenzwijn”. Een stuk duurder dan doodgewoon varkensvlees en nauwelijks smakelijker. De vorige keer dat ik in een restaurant met dezelfde naam tafelde, was in de Dominicaanse Republiek. Oh zoete herinnering! In een weekblad las ik over Los Cacaos, een dorp ergens hoog in de bergen dat ik wel eens wilde zien. Van Santo Domingo naar San Cristóbal was gemakkelijk. Voetgangers en zwaar met vracht of passagiers beladen bromfietsers op de snelweg was wat lastig, net zoals het vinden van de goede afslag richting Cambita Garabito. Twee keer kwam ik in de dichtbevolkte buitenwijken van San Cristóbal terecht. Veel te veel mensen, auto’s en bromfietstaxi’s wilden hetzelfde stukje weg als ik gebruiken. Door nog eens een verkeerde afslag te nemen, reed ik ongewild opeens weer op huis aan. Ik sprak mezelf toe om niet zo gemakkelijk op te geven, uiteindelijk stond in het artikel dat de afslag duidelijk was aangegeven. De eerste voorbij, de tweede voorbij, drie maal was scheepsrecht. Niet de afslag vlak voor het viaduct, zoals in het bericht stond, maar de afslag vlak erna was de goede. Een schilderachtige, klimmende weg. Veel gaten in het wegdek, dorpjes met de typische Dominicaanse houten huizen, veel groen, veel mensen, veel bochten. Af en toe een bordje met “Aubergine” en een pijl erop. Het restaurant lag een behoorlijk stuk van de bewoonde wereld, Los Cacaos was nog verder. Een kilometer of zo later hield de geasfalteerde weg plotsklaps op. Er stond een 4X4 met pech, ik informeerde hoe de rest van de route was. Nee, mijn auto, een VW Passat, was absoluut ongeschikt om het dorp te bereiekn. Ik probeerde het toch, maar het was inderdaad onbegonnen werk. Terug naar l’Aubergine, dat vol hing met memento’s van de stad Ulm, waar de ietwat chagrijnige chef-kok/eigenaar bleek te zijn geboren. Op de vraag hoe hij in dit van iedereen verlaten oord was terecht gekomen, vertelde hij met zijn moeder op pad te zijn geweest en een verkeerde afslag te hebben genomen. Hij vond de plek zo mooi, dat hij het kort daarna had gekocht, zijn restaurant in Santo Domingo had verkocht en hier opnieuw was begonnen. “Goh, toch wel wat moeilijk te vinden voor uw klanten”, zei ik in al mijn onschuld. Waarop hij Duits arrogant reageerde met “Mijn klanten volgen mij en weten mij altijd te vinden!” Het was helaas nog waar ook. wordt vervolgd |