|
KAAPSE KRONIEK - 8 (07122007) Zondag, 18 november 2007. Via Noordhoek en Kommetjie bereiken we de kust. De chauffeur weet nog precies voor wie tijdens de apartheidsjaren de stranden waren bestemd. Slangkop, bezaaid met keien, was voor de kleurlingen. Vanaf de hooggelegen weg lijkt de vuurtoren op zeeniveau een wat lullig fallusje, ondanks dat het de hoogste gietijzeren vuurtoren aan de Zuid-Afrikaanse kust zou zijn. Witgeschilderde keien in het perkje ervoor laten er geen twijfel over bestaan hoe het hier heet. “SLANGKOP” dus. Het volgende dorp heet Scarborough. Vast en zeker vernoemd naar het stadje met dezelfde naam in Noordoost Engeland. Daar ging ik lang geleden eens naar toe. Met de veerboot van Rotterdam naar Hull, vervolgens met een boemeltreintje langs de kust naar Scarborough. Onderweg naar de illegale commerciële radiozender “Radio 270” die uitzond vanaf een omgebouwde Scheveningse trawler die drie mijl uit de kust lag. “Three miles off the coast of Scarborough” zoals met de regelmaat van de klok werd omgeroepen. Dat was destijds de grens waar de nationale soevereiniteit en de nationale wetgeving ophield en alles wat verboden was eigenlijk mocht. Op het schip ontmoette ik stoere Scheveningers en het avontuur zoekende deejays. Nooit zal ik vergeten hoe we met windkracht zeven in een open bevoorradingsbootje de Noordzee opgingen. Op het randje van “te gevaarlijk” volgens de bemanning. Eenmaal bij het schip aangekomen moest er worden overgestapt op het moment dat een hoge golf dat bootje eventjes op ongeveer gelijke hoogte bracht. Ik dacht geen seconde na, dit is wat ik wilde. Mijn tas werd aangepakt en ik daarna. Reikende handen, vastpakken, snel over de reling klimmen. Tot op de dag van vandaag verbaas ik me over hoe dat allemaal zonder na te denken ging. Het interesseerde me geen reet dat het levensgevaarlijk was, dat ik door mis te grijpen of te stappen zou kunnen verdrinken in de ijskoude zee. Ik wilde hoe dan ook aan boord van dat radiostation terecht komen en dat lukte gewoon. Waar voorheen de uit zee opgehaalde vis werd opgeslagen, was een kleine studio gebouwd met zeevaste draaitafels. We sliepen in de voorplecht, in iets wat verdacht veel op gestapelde doodskisten leek. Drie of vier boven elkaar met een kleine opening waar je je als een slangenmens doorheen moest worstelen om te kunnen gaan slapen. Dat was allemaal om te voorkomen dat je er tijdens zware zeegang uit kon vallen. Met windkracht zeven of acht beslist geen overbodige luxe, zo weet ik sindsdien uit eigen ervaring. Ik kondigde muziek aan, kon de uit Nederland meegebrachte vijfenveertig-toeren plaatjes draaien - The Hunters - Russian Spy and I - nam jingles op en reclameboodschappen. Ik had een geweldige tijd, maar ging desondanks keurig terug naar het vaderland om heel gezagsgetrouw mijn militaire dienstplicht te gaan vervullen. Scarborough, Zuid-Afrika is een onaanzienlijk dorp, zonder radioschip voor de kust, maar met een strand om spontaan verliefd op te worden. Uiteraard was dat voorheen gereserveerd voor het blanke bevolkingsdeel. Ideaal voor windsailen en surfen en gezegend met fraai krullende golven. In de bermen van de weg “fynbos”. Lage struiken en bloemen die in staat zijn wind, regen, mist, sneeuw, zout water en felle zonneschijn te weerstaan. Taai spul dat prachtig bloeit. Veel protea, de nationale bloem, vooral de gele variant. De chauffeur begint met het geven van instructies voor het geval we bobbejane - bavianen - zullen tegenkomen. Horloge af en voorzichtig met de camera, de dieren zijn dol op glimmende voorwerpen, en ...... niet voederen. Niet dat ik dat van plan was. Daarna volgt een verhandeling over deze toch wel wat gemakzuchtige dieren. Als ze worden gevoederd, houden ze - lui als ze zijn - op met het zoeken naar voedsel. Als er vervolgens in de wintermaanden minder mensen langs komen, en er dus minder wordt gevoederd, verhongeren ze langzaam maar zeker omdat ze de routine van het vinden van eten ontwend zouden zijn. Iedere theorie is er een. Ondertussen zien we geen enkele aap. Wel struisvogels. Op de boerderij van een “gekke Hollander” die ze fokt. Een enorme weide die is onderverdeeld in afgeperkte veldjes in ieder waarvan een mannetje en een vrouwtje. Van vrije liefde hebben struisvogels nog nooit gehoord, want meer in een veldje schijnt tot ruzie te leiden. De loopvogels leveren vlees, eieren en veren. Hoewel ze de kop in het zand zouden steken, zie ik er niet een die dat doet. Een paar kilometer verder de ingang van het Tafelberg Nationale Park. Tien dollar betalen om een niemandsland te mogen bezoeken. Ruige leegte. Rechts de zee, af en toe iets dat grote gelijkenis met een maanlandschap vertoond. Dat beeld wordt versterkt omdat door de vele hectares verkoolde stronken en stronkjes, de nalatenschap van gecontroleerd schoonbranden van de begroeiing. Door de zwarte resten schittert het ontluikende rood van de aloë. Een bewijs dat er in de plantenwereld kennelijk een leven na de dood bestaat. Dichter naar het einde van het schiereiland toe wordt het smaller en smaller totdat we, zelfs zonder een TomTom te gebruiken, de auto parkeren op precies 34º 21’ 24” zuiderbreedte. In de diepte beneden de Kaap de Goede Hoop, recht vooruit omhoog de Kaappunt, Kaap Diaz. Rechts de Atlantische Oceaan, links de Indische Oceaan. Bezoekers kunnen kiezen tussen een funiculaire of naar boven wandelen en klimmen. Om hier met mechanische hulpmiddelen op te stijgen, stuit mij tegen de borst, op plekken zoals deze hoor je op eigen kracht naar boven te gaan!. Hoe hoger je komt, hoe meer Kaap de Goede Hoop een “kaapje” verwordt. Een mooi gezicht, dat wel. Een stoere rotsformatie, een kleine baai met een wit zandstrand en een prachtige blauwe zee, maar toch lang niet zo spectaculair als ik me had voorgesteld. Waarschijnlijk omdat ik mijn leven lang heb gedacht dat het deze kaap was waar de zeevaarders Afrika rondden en ik nu met eigen ogen zie dat het niet zo is. Dat punt is de net iets verderop gelegen Kaap Diaz, bijna het meest zuidelijke punt van Afrika. Bijna. wordt vervolgd |