|
KAAPSE KRONIEK - 9 (11122007) Zondag, 18 november 2007. De klim naar het bijna 250 meter hoge topje van de Kaappunt herinnert me aan een soortgelijke klim naar het kerkje van Nossa Senhora da Penha de França, in Rio de Janeiro. Een bedevaartsoord op een steile rotspunt. Net zoals daar, ook hier tientallen mensen die klimmen en afdalen en, net als in Rio, als alternatief voor luilakken en zij die minder goed ter been zijn een funiculaire. Net zoals in Rio wacht eenmaal boven gekomen ook hier de beloning: een imposant uitzicht. Op de Kaappunt bestaat dat uit de golven van de oceanen, verder niets. Links de Indische Oceaan met de vage kustlijn verderop, rechts de Atlantische Oceaan. De oplettende kijker zou moeten kunnen zien waar de beide oceanen samenvloeien. Ondanks mijn inspanning zie ik geen enkel verschil, voor mij is het en blijft het één pot nat. “Zuidpool - 6248 kilometer” meldt de richtingaanwijzer op het kleine platform voor de vuurtoren. Op deze plek krijg ik een veel sterker gevoel aan het einde van de wereld te zijn dan destijds in Ushuaia, de meest zuidelijk gelegen stad ter wereld. Hoewel zwaar overdrijvende reclamemakers rondbazuinen dat juist daar het “Fin del Mundo - het einde van de wereld” is, staat de toerist gewoon naar de Chileense bergen aan de overkant van het Beagle Kanaal te kijken. Wat voelde ik me toen belazerd. Op de Kaappunt is het zoals het hoort te zijn - wat mij betreft althans - tot aan de horizon niets anders dan lucht en water. Helemaal tot aan Antarctica. Opeens kan ik me inleven in de angst van de middeleeuwse zeelieden dat ze hier in de buurt met schip en over de rand van de aarde zouden kieperen. Die kant en klare gietijzeren vuurtoren, die in 1860 werd geïnstalleerd, bleek al spoedig volkomen nutteloos te zijn. Door de vaak laaghangende bewolking en de mist was het licht grote delen van het jaar niet te zien en moest er noodgedwongen een nieuw baken worden gebouwd op de veel lagere, maar iets verder vooruitgeschoven Kaap Diaz. Op deze zondag is het helder weer en schijnt de zon, zodat beneden in de Indische Oceaan een walvismoeder met kind kan worden gevolgd. De baai aan die kant, waar het water veel warmer is dan aan de Atlantische kant, is een kraamkamer voor walvissen. Net als de omgeving van Puerto Madryn in Patagonië aan de overkant van het water, in Argentinië. De afdaling gaat, zoals altijd, een heel stuk soepeler dan de weg omhoog. Mooie bloemen, Kaap de Goede Hoop in de diepte, een vergezicht op twee oceanen tegelijk, een ruig leeg landschap. Toch wel een unieke belevenis. We gaan verder langs de andere kant van het schiereiland. In de verte het door de Portugezen opgerichte monument voor Batelomeus Diaz. Een kruis, zoals de stenen bakens die de ondernemende Portugese ontdekkingsreiziger overal plaatsten waar ze aan land gingen. Als baken of als een soort eigendomsbewijs? Of was het de “Kilroy was here” graffiti uit de 15e en 16e eeuw? Eindelijk komen we een eenzame bobbejaan tegen, met een manke poot bovendien. Op grote borden wordt uitgelegd hoe de eens forse bavianenbevolking aan het uitdunnen is. Geen wonder als je ziet hoezeer de bevolkingsdruk, de oprukkende verstedelijking, hun habitat steeds kleiner maakt en hoe massatoerisme hun privacy in ernstige mate aantast. Alleen in de redelijk onbegaanbare delen van de beschermde natuurgebieden gedijen ze nog enigszins. De dorpen en stadjes volgen elkaar nu in hoog tempo op. Simonstown, de marinebasis, waar tot het einde van de apartheid geen foto’s mochten worden genomen. Fishhoek, waar hoofdzakelijk gepensioneerden wonen en waar de rechtgeaarde Calvinistische meerderheid er tot op de dag van vandaag in slaagt om op zondagen de verkoop van alcoholische versnaperingen tegen te houden. Geen dorp om al te lang rond te hangen, maar gelukkig lonkt de grens met Kalk Baai al! De wapperende Cubaanse vlag kondigt het Cape to Cuba restaurant aan en de Che Bar. Palmen, een dak dat is beschilderd met de Cubaanse vlag. Niet te missen. Op het parkeerterrein zijn de muren beschilderd met portretten van Che, aankondigingen voor tangolessen, sigaren. Op de website ziet het er vele malen gelikter uit dan het in werkelijkheid is. ’t Is een strandtent met sfeer, maar het blijft een strandtent. Met je voeten in het zand aan de bar hangen onder een foto van Che. Mijn revolutionaire held zou zich in zijn graf omdraaien als hij zou weten hoe schaamteloos zijn naam en beeltenis worden misbruikt. Schande! St. James, het volgende dorpje met de in vrolijke kleuren beschilderde houten strandhuisjes. Of zijn het badhokjes? Een beeld dat de omslag van Lonely Planet siert. Muizenberg, het dorp waar Cecil Rhodes - Rhodesia! - zijn zomerhuis had en de VOC een tolhuis. Na het station rechtsaf, richting Stellenbosch en Paarl . De weg volgt de kustlijn, door het natuurgebied Wolfgat, door de duinen, langs het Monwabisi - het Xhosa woord voor “plezier” - strand dat voorheen uitsluitend voor zwarte Zuid-Afrikanen toegankelijk was en zo te zien zijn is dat nog steeds de enige bevolkingsgroep die hier naar toe komt. Het is een - bewust of onbewust - erg tactisch gekozen locatie, want niet veel verderop begint de gigantische township Kayelitsha. Dicht langs de weg ligt Harare, één van de “buitenwijken” als het ware. ´t Wordt allemaal keurig aangegeven op de wegbewijzering. Kilometers lang en kilometers breed is de township. Vooral als de weg wat omhoog gaat is dat goed te zien, dan kan je de enorme duinpan inkijken en ziet zover het oog reikt de troosteloze “shacks” de hutjes die zijn gebouwd van wat er maar voorhanden is: hout, plastic, golfplaat. Vlakbij Stellenbosch, tijdens een ogenblik van reflectie om de indrukken van vandaag te verwerken, bedenk ik dat we de hele dag al van de ene vrijwel blanke enclave naar de volgende rijden. Een argeloze passant, zoals ik, krijgt zodoende sterk de indruk dat de echte afschaffing van de apartheid uit nog heel erg veel “werk in uitvoering” bestaat. wordt vervolgd |