KAAPSE KRONIEK - 10 (14122007)

Zondag, 18 november 2007. Het Polkadraaipad, de weg van Stellenbosch naar Franschhoek via de 450 meter hoge Helshoogtepas, gaat opnieuw door een wonderschoon landschap. Er komt geen einde aan. Het voorjaar op het zuidelijk halfrond zorgt voor fris groen en bloemen. Voor de 17e eeuwse Franse Hugenoten, die via Amsterdam naar de Kaapkolonie emigreerden, moet het echter een enorme uitdaging - of zelfs een hel - zijn geweest om over de ruige bergpassen van de ene vallei naar de volgende te trekken. Wat men er destijds niet voor over had om zijn godsdienst in alle vrijheid te kunnen belijden. Ze zullen ongetwijfeld weinig oog voor het natuurschoon hebben gehad, doch eerder hebben overwogen wat er zoal gedaan zou moeten worden om de natuur te temmen. Dat is aardig gelukt en daarvan geniet ik vandaag volop. Bergen en dalen, scherpe bochten, bossen, een glad wegdek. Nieuw aangelegde wijngaarden klimmen tegen de hellingen op, in de oude wijngaarden staat hier en daar een witgekalkte boerderij te stralen in de zon. Zoals altijd, strelen de bloeiende jacarandabomen op de erven mijn ogen.

Franschhoek ligt ergens aan de rechterkant, net zoals Paarl. De chauffeur heeft ondertussen besloten waar ik wijn zal gaan proeven, en kaas. Weet ik veel. Ik wil gewoon de omgeving van Kaapstad ontdekken en had gezegd richting van Paarl te willen gaan. Verder dan Suid-Agter Paarl en het “Fairview” wijngoed kom ik niet. De toren, met een buitentrap waarover geiten naar boven kunnen klimmen, het logo van het bedrijf, belooft niet veel goeds. Wat een verschrikkelijk ouboliige manier om hun geitenmelkkaas aan te prijzen. De bodega valt mee en ietwat tegen. Wat meevalt is de wijn - waarvan de Sauvignon-Blanc het lekkerste is - en de kaas “proe van kaas slegs vir persone met plakkers”. Wat tegenvalt is dat de dessertwijn niet in voorraad is. “Change of vintage, sir - overgang naar een ander oogstjaar”. Beslist de lulligste verontschuldiging die ik tot nu toe in de 21ste eeuw heb gehoord. Van het proeflokaal naar het restaurant, dat “Goatshed” heet, de “Geitenschuur”. Helemaal verkeerd natuurlijk om eerst kaas en wijn te proeven en daarna te lunchen. Het duurt gelukkig even voordat we kunnen bestellen. Een pauze voor de maag en voldoende tijd om vast te stellen dat de chauffeur de enige gekleurde medemens is die hier als gast aan een tafel zit. De man zelf zit er ontspannen bij en geeft een verassend antwoord op de vraag waarom er niet meer mensen zoals hij zijn. “Kijk”, zo doceert hij, “zie je wat er op de drankenkaart staat?” Daar staat, zo kan ik zelf lezen “Fairview is een Kaaps wijngoed en niet zomaar het filiaal van de een of andere grote frisdrankenfabrikant of brouwerij”. Het is volgens hem een gecodeerde waarschuwing dat degenen die de voorkeur geven aan bier of zo - hoofdzakelijk gekleurde Zuid-Afrikanen dus - beter weg kunnen blijven. Voor de zekerheid steel ik de kaart als bewijsmateriaal, maar ontdek naderhand dat het gewoon - of schaamteloos - op de website van het restaurant staat. Het weerhoudt me niet om met volle teugen te genieten van de met juniper en peper ingesmeerde Springbokmedaillons, geserveerd op een bedje van geglazuurde uien, naar cranberry smakende spätzle en rode wijnsaus. Erg mals en lekker, zelfs nadat ik later ontdek dat de “juniper” een kleine conifeer is. Na een lange dag gaan we terug naar Kaapstad via de kortste weg, de grote weg. Links hoog op de berg een monsterachtig bouwsel, het Taalmonument voor de Afrikaanse taal. Vlak voor de afslag het dorpje Klapmuts, aan alle andere kanten wijngaarden.

Zaterdag, 24 november 2007. Vanuit mijn appartement in de Langstraat, ben ik via de Houtstraat, de Loopstraat en de Breestraat, vandaag de Buitengragt maar eens overgestoken. Onderweg naar de Bo-Kaap, de Slamse Buurt. “Bo” is het Afrikaanse woord voor “boven”, “slams” voor “moslims”. Uit de straatnaam blijkt dat de wijk vroeger buiten de stad lag. Het is een voornamelijk door moslims bewoond stadsdeel - geen kerken, veel moskeeën - aan de rand van de stadskom die aan de voet van de Tafelberg ligt, in de schaduw van de Leeuwenberg en de Seinheuvel. Tijdens de apartheidsjaren mochten zich volgens de Groepsgebiedenwet van 1950 uitsluitend “Cape Malay” in de Bo-Kaap vestigen. De “Malay slave quarters” noemde de chauffeur het een paar weken geleden nog achteloos. Na de stichting van de Kaapkolonie had de VOC moeite om arbeidskrachten te vinden, dus werden die geïmporteerd uit het Nederlands-Indië. Zo arriveerden de eerste moslims rond 1658. Dat waren de uit de Molukken afkomstige Mardijkers. Portugese slaven die door de VOC waren vrijgelaten en in ruil daarvoor militaire hand- en spandiensten moesten verrichten. Wie in Nederland is zich ervan bewust dat honderden jaren geleden islamistische ”gastarbeiders” op vaderlands grondgebied al een gewone zaak waren? De Kaapkolonie werd daarnaast gebruikt als verbanningsoord voor de invloedrijke moslimleiders van de Oost-Indische eilanden die gelijdelijk aan werden veroverd. Uiteraard namen die “maleiers” hun zeden en gewoonten mee en daar wordt, volgens het museumgidsje althans, in het Bo-Kaapmuseum aandacht aan besteed. Na 1804, het jaar waarin de moslims volledige godsdienstvrijheid kregen, vestigden velen zich in de Bo-Kaap. Waarschijnlijk om de heel praktische reden dat de Owal Masjid, de eerste moskee van Kaapstad, hier aan de Dorpstraat stond. Het museum is een minimalistisch museum met de kleinst denkbare collectie die men zich kan voorstellen. Het is gevestigd in het 18e eeuwse gerestaureerde voormalige woonhuis van Jan de Waal. Vier zaaltjes telt het slechts. In het eerste staan een drietal vitrines met voorwerpen die zijn gedecoreerd met islamitische motieven of Koranteksten. Kleine en eenvoudige - sier en/of gebruiks - voorwerpen die in hun eenvoud het karakter van de Islamitische gemeenschap weerspiegelen. Mijlenver verwijderd van de schoonheid van de collectie van het Gulbekian Museum in Lissabon bedenk ik, hoewel dat op dit moment natuurlijk geheel niet ter zake doet. Maar toch.

wordt vervolgd