|
KAAPSE KRONIEK - 11 (19122007) Zaterdag, 24 november 2007. De woorden “rampie sny” en “ratiep” wekken onmiddellijk mijn nieuwsgierigheid op. Het zijn woorden in de fotobijschriften in het tweede zaaltje van het Bo-Kaapmuseum. Daarin zijn een paar typisch Cape Malay kledingstukken te zien, een mooie standaard om de Koran in te plaatsen en foto’s van rituelen die de Kaapse moslims praktiseren. Tijdens de “ratiep” verwonden gelovigen zichzelf met scherpe voorwerpen om hun toewijding aan de Profeet en aan hun geloof te demonstreren. Afschuwelijke beelden borrelen op van een processie in Irak waarin mannen zich tot bloedens toe verwonden met zwepen waarin messcherpe voorwerpen zijn gevlochten. Ik heb niets met dat religieuze SM gedoe. Het goed Calvinistische gebruik om het bloed van onze Lieve Heer in de vorm van rode wijn tot ons te nemen, vind ik stukken smakelijker. De “rampie sny” is daarentegen een onschuldig ritueel ter gelegenheid van de verjaardag van de Profeet. Het gezicht van mijn collega licht op als ik haar vraag of dat nog bestaat. “Mijn moeder had het er gisteren nog over!” De vrouwen snijden blaadjes van citroen- of sinaasappelbomen in reepjes, die daarna worden besprenkeld met diverse reukolieën om vervolgens eerst te worden verpakt in boomblad en daarna in crêpepapier. Een presentje voor de mannen nadat die op de geboortedag van de Profeet uit de Koran hebben geciteerd. Een soort verjaarscadeau begrijp ik. “Het ruikt heerlijk!” zegt ze enthousiast. Wat wil ik dat graag eens met eigen ogen zien. Maar helaas. Het is een van de weinige dagen dat vrouwen de moskee in mogen, zegt ze. ”Nee, mannen zijn beslist niet welkom” en, zo zie ik haar denken “jij als ongelovige helemaal niet”. Toch is ze bereid tot concessies. Ze beloofd te zullen proberen wat foto’s voor mij te maken en misschien kan ze bij haar moeder wel zo’n lekker ruikend zakje blaadjes voor me lospeuteren. Er zit niet anders op dan geduldig te wachten of het ervan zal komen. Of niet. In de hal van het museumhuisje staat een ouderwets houten schrijfbureau, erboven hangen diverse foto’s en teksten die een korte biografie van de schrijver Tatumkhulu Afrika vormen. Een schrijver en poëet, die net als mijn favoriete Rotterdamse schrijver Bob den Uyl, een zwervend bestaan heeft geleid. Een late roeping bovendien. “Negen Levens”, zijn eerste gedichtenbundel, werd in Zuid-Afrika gepubliceerd toen hij 71 jaar oud was. Geen wonder dat de biografische aantekening zo kort zijn. Die “Negen Levens” slaan voor mijn gevoel zonder meer op zijn eigen levensloop. Hij zag in 1920 als Mogamed Fu´ad Nasif het leven in Egypte. Kort daarna emigreerden zijn ouders naar Zuid-Afrika en legden niet veel later het loodje tijden een griepepidemie. Mogamed werd geadopteerd en door zijn pleegouders herdoopt tot John Charlton. Tijdens de Tweede Wereldoorlog vocht hij in Noord-Afrika en verbleef als krijgsgevangene in kampen in Italië en Duitsland. Terug in zuidelijk Afrika breekt hij met zijn pleegouders, trekt in bij een Afrikaner familie, en neemt hun familienaam aan en heet voortaan Jozua Joubert. Hij gaat aan de slag in een kopermijn in het huidige Namibië. In het midden van de jaren vijftig van de vorige eeuw komt hij uiteindelijk in Kaapstad terecht, in District VI. Die wijk wordt door de apartheidsregering “blank” verklaard en de bewoners worden over een periode van een jaar of 15 naar buiten de stadsgrenzen gedeporteerd. In 1982 is de klus geklaard en wordt de wijk, met uitzondering van de kerken en moskeeën, met de grond gelijk gemaakt. Tot op de dag van vandaag kan ik die kaalslag vanaf mijn werkplek zien. Joubert verandert zijn naam opnieuw. Jozua wordt Ismael na zijn bekering tot de Islam. Ondertussen verdient hij de kost als musicus, barman en, net als Bob den Uyl, kantoorbediende. Hij richt de Al-Jihaad verzetsgroep op en sluit zich naderhand aan bij het ANC. Zijn nom de guerre “Tatumkhulu Afrika - de oude man uit Afrika” zal ook zijn nom de plume worden. Hij overlijdt na een auto-ongeluk in december 2002. Vijf jaar later zal ik in de boekwinkels van Kaapstad tevergeefs naar zijn boeken zoeken. In de voormalige keuken staan wat huishoudelijke voorwerpen, zoals zo’n koperen kolenstrijkijzertje dat in het vaderland nog steeds te koop is op antiekmarktjes of braderieën. Via de binnenplaats en een trap kan de bezoeker een blik werpen in het buurtcentrum Daar staan wat panelen met foto’s uit het recente verleden van het dagelijkse leven in de Bo-Kaap. Het laatste zaaltje vind ik verreweg het boeiendst. Niet alleen door een koperen mal voor het maken van vilten fezzen - nooit eerder gezien - maar vooral door de bijschriften van de grote foto’s die als behang op de muren zijn geplakt. “Kaapstad was maar ‘n klein dorpie tijdens die Hollandse besetting” raakt een gevoelige snaar. Het woord “besetting” vertaal ik automatisch naar “de Duitse bezetting” van ons eigen land en dat schokt enigszins. Bij een andere foto staat dat in 1950 zo´n beetje iedereen in Kaapstad niet verder dan 15 minuten van het werk woonde, totdat de stad door de apartheidsregering tot “slegs vir blankes” werd verklaard, een “omo behandeling” kreeg en stralend wit werd gewassen. Daardoor is het in de City Bowl, het stadsdeel waar ik woon, tot op de dag van vandaag na werktijd saai en doods. Na het museumbezoek, dat ondanks de bescheiden collectie doch vooral door die fotokamer veel te denken geeft, wandel ik door de Bo-Kaap. Klimmende kasseienstraatjes met af en toe bijna Nederlandse namen. Door de Waalstraat, de Dorpstraat, door de Leeuwestraat en de van der Meulenstraat. Langs de lage huisjes met in vrolijke kleuren geschilderde gevels. Het ziet er net zo uit als een Braziliaans dorp. De was hangt buiten. Zaterdag - wasdag. Zowat iedere straat lijkt een eigen moskee te hebben. Behalve die met het huis waar in de klokgevellijst boven de ingang “Institute for Divine Guidance - Instituut voor Hemelse Begeleiding“ staat. Daar zijn ze zo dicht bij de hemel, dat er geen moskee nodig is, zo vermoed ik. Je zou er zowat naast willen gaan wonen om je zielenheil te verzekeren. wordt vervolgd |