KAAPSE KRONIEK - 13 (27122007)

Zondag, 25 november 2007. Ondertussen is de Tafelberg haast niet meer uit mijn leven weg te denken. Dag in dag uit kijk ik op tegen de steile bergwand en de brede platte bovenkant. Vanuit kantoor, vanaf het terras van mijn appartement, vanuit de keuken, vanaf de bank in de zitkamer, vanuit vrijwel iedere straat in het stadscentrum. Het stoort allerminst, het fascineert juist. De berg ziet er nooit hetzelfde uit. Door de val van het zonlicht of door “het tafelkleed” dat wordt gevormd door wolken of wolkenslierten die over de rand hangen. Sinds de vestiging van de vaderlandse kolonie in 1652 overheerst de Tafelberg samen met de Duivelspiek, de Leeuwenkopberg en de Seinheuvel op de afbeeldingen van Kaapstad en de Tafelbaai. De horizon is in de loop der eeuwen helaas behoorlijk vervuild. Van een landschap met een enkele boerderij en veel landerijen, tot een overvolle stadskom waarin woonwijken tegen de berghellingen opkruipen. zoals de wijngaarden dat buiten de stad doen. Als ik ’s ochtends na het opstaan naar de berg kijk, staat er vlak na zonsopgang vaak al een rij geparkeerde auto’s en gaan de cabines van de kabelbaan in een strak ritme op en neer. Juist die hoek van mijn uitzicht wordt gelukkig net niet door de oerlelijke hoogbouw van het Provinciehuis geblokkeerd.

Na maanden tegen de berg te hebben opgekeken, is het de hoogste tijd om eens op de stad neer te gaan kijken. Hoewel er steile en minder steile wandelingen en klimpartijen mogelijk zijn, toch maar liever met de kabelbaan. Een beetje gemakzuchtig, doch een keuze die zeer gerechtvaardigd blijkt als ik onderweg bergbeklimmers tegen de vrijwel loodrechte rotswand zie hangen. Mij niet gezien! De kabelbaan werd in 1929 in gebruik genomen en sindsdien zijn er 16 ŕ 17 miljoen passagiers vervoerd. Het comfort is in de loop der jaren sterk verbeterd. Van een lullig bakkie, naar een comfortabele cabine met een roterende vloer, zodat iedereen wat het uitzicht betreft aan zijn trekken komt. In een vloek en een zucht sta je op ruim duizend meter hoog op de enorme platte kop van de berg. Lichte verbijstering bevangt me vlak na aankomst. Het zwaailicht naast de waarschuwing “Harde Wind/Slecht zicht” draait. Niets is hier zo veranderlijk als het weer. Evacuatie? De veiligheidseisen gebieden dat de bezoekers dan zo snel mogelijk terug moeten naar de voet van de berg. Soms lopend via de Platteklipkloof omdat bij te harde wind de kabelbaan wordt stil gelegd. “Vir u eie veiligheid: Sodra u die toeter hoor, keer onmiddelik terug na die boonste stasie, omdat daar sterke wind op pad is. Die stasie sal dan sluit”. Het valt allemaal reuze mee. De zon schijnt, er waait slechts een licht briesje. Dat zwaailicht schijnt altijd aan te staan om de aandacht op een mogelijke stormwaarschuwing te vestigen.

Vanaf het Tafelbergplateau is het uitzicht, naar welke kant dan ook, adembenemend mooi dan wel leuk omdat ik inmiddels de meeste plekken vanuit de hoogte herken. Van rechts naar links: de “Twaalf Apostellen” een bergrugje met aan de voet Camps Bay en Llandudno, welgestelde dorpen met witte zandstranden. In de verte Robbeneiland. Dichterbij de opeens verrassend kleine Leeuwenkop, de stadskom, de haven, het Kasteel van de VOC, Blauwberg aan de overkant, Stellenbosch in de verte, de Kaapse Vlakte, de Duivelspiek. Het complex waar ik woon is makkelijk te herkennen door het Groenmarkplein ernaast en het als een fallus omhoog stekende Provinciehuis. De bovenkant van de berg is licht begroeid. Hoewel de biodiversiteit enorm zou zijn, valt dat nauwelijks op. Fynbos is het enige dat op deze rotsachtige en droge ondergrond schijnt te kunnen overleven. Het bloeit hier en daar, bloemen met felle kleuren. Een teken van trots dat ze het ondanks de barre omstandigheden hebben gered. Het tafelblad van de berg is een kilometer of drie breed. Maclear’s Beacon, het topje van de berg, ligt drie kwartier lopen verderop. Veel “Geen Toegang na dit punt” bordjes die haast door iedereen worden genegeerd. Dicht langs de rand van de afgrond gaan heeft zo te zien een grote aantrekkingskracht. Vlakbij het station van de kabelbaan staat een koperen reliëf van de berg met op de rand de wat zinloze richtingaanwijzers naar andere wereldsteden: Buenos Aires 6.867km. Ben veel te ver van huis, vind ik opeens.

Zondag, 2 december 2007. Op naar het andere uiteinde van het Tafelberg Nationale Park, naar de Kaappunt. Niet voor de eerste keer en vast ook niet voor de laatste. Het Kaapschiereiland nog eens rond. Vandaag via de alternatieve route langs False Bay. De pinguďnkolonie bij Boulders Beach is een lokale attractie. “Pikkewyne” heten deze loopvogels in het Afrikaans. Er heerst dezelfde pinguďngekte als in Ushuaia, in Vuurland. En net zoals in het diepe zuiden van Argentinië wordt de afbeelding van de pinguďn te pas, maar vooral te onpas gebruikt. Dat gaat tot en met het verkeersbord “overstekende pinguďns” en een verbodsbord om pinguďns “de hand te schudden”. Ik geniet meer van de bloemenpracht. Brem zowaar, dat is lang geleden. Prachtige oostindische kers en cactussen. We haasten ons. Mijn collega is nog immer op zoek naar een huis en zondagmiddag is dé gelegenheid om huizen te kijken. De bewoners verlaten hun pand, de makelaar neemt bezit van de woning en ontvangt geďnteresseerden. Iedere zondag opnieuw. We besluiten de dag in de schaduw van de Tafelberg. In het verlaten havengebied van Kaapstad, bij Panama Jack, een populair restaurant. Van buitenaf ziet het er niet uit, van binnen des te meer. Goed ogende blonde meiden met blauwe ogen bedienen, het plafond is behangen met nationale vlaggen, onder de glasplaat van de tafels liggen zeekaarten van haveningangen en zeestraten in de buurt. Walvisbaai, het Mozambiquekanaal, de kust van Zuidwest Afrika. We eten zeebanket, lachen om het etiket op de fles met pikante saus “Bushman’s – Hot az Hell” en drinken sauvignon-blanc van de Kaappunt. Een toepasselijk slot van een weekeinde in en rond Kaap de Goede Hoop.

wordt vervolgd