|
KAAPSE KRONIEK - 16 (08012008) Vrijdag, 14 december 2007. “Moet ik ze ook ophangen?” vraagt de man die de overgordijnen bezorgt. Na weken geduld te hebben geoefend, is het eindelijk zo ver. Hij heeft er duidelijk geen zin in en zegt dat hem niets anders was gevraagd dan de gordijnen af te leveren. Mijn antwoord is echter bevestigend. “Ik heb helaas geen ladder bij me”, zo verontschuldigt hij zich. Ik bied hem mijn keukentrapje aan. Nee, dat is niet goed genoeg. Waarna mij een minuut of twintig wordt uitgelegd dat hier niet op gerekend was en dat hij op maandagmiddag – een vrije dag – graag terug zal komen. “True capetonian – echt Kaapstads”, reageert een collega. Een andere collega had eerder al eens “uitgelegd” waarom dingen soms wat tijd nodig hebben in deze stad. “Je weet toch dat Kaapstad “de Moederstad” wordt genoemd?” Enof ik dat weet. “Je weet toch hoe lang het duurt om moeder te worden?” Ook dat weet ik, dat duurt ongeveer negen maanden. “Begrijp je mu waarom alles in Kaapstad zoveel tijd nodig heeft?” Ik begin het te vermoeden. Vele jaren geleden is mij in Nigeria hardhandig “geduld” bijgebracht en sindsdien brengen dit soort kleine ongemakken mij niet meer van mijn stuk. ”Tot maandagmiddag”, dus. Zondag, 16 december 2007. Voorheen “Geloftedag” voor de Afrikaners. De dag waarop werd herdacht dat de Voortekkers op 16 december 1838 de krijgers van Zulukoning Dingaan hadden verslagen bij de Bloedrivier. Kort daarvoor hadden diezelfde Voortrekkers de gelofte afgelegd dat indien de Zulu’s zouden worden verslagen, zij en hun nageslacht die dag eens per jaar als “de sabbat” zouden herdenken. Hun nageslacht is inmiddels ingehaald door de nieuwe politieke realiteit. En toch ook weer niet. 16 December wordt nog steeds gevierd, maar als “Verzoeningsdag” om alle Zuid-Afrikanen de gelofte te kunnen laten hernieuwen ernaar te zullen streven vreedzaam met elkaar samen te zullen leven en de wonden van het verleden te vergeten en vergeven. Slimme compromisjongens, die post-apartheidpolitici! De weergoden hebben nog niet echt door dat het deze week zomer wordt. Gisteren vielen de mussen van het dak door de hitte, hoewel ik hier nog nooit een mus heb gezien, vannacht is het gaan regenen. Gisteren had ik geen zin om in de auto te stappen vanwege de warmte, vanochtend eigenlijk ook niet vanwege de regen. Met het idee tijd genoeg te zullen hebben om dat “later wel eens te gaan doen”, zijn er in andere buitenlanden dingen soms zo vaak uitgesteld, dat ze werden afgesteld. Daar moet maar eens een eind aan komen! Vandaag ga ik hoe dan ook naar Kaap Agulhas, het zuidelijkste punt van Afrika, op ongeveer 250 kilometer van Kaapstad. Met de namen van de steden en dorpen onderweg en de nummers van de wegen op een vel papier naast me op de passagiersstoel, doch zonder wegenkaart, rijd ik de N2 richting Sommerset West op. N2 – Kaapstad, Somerset West, Grabouw, Botrivier, Caledon, rechtsaf R316 – Napier, Bredasdorp, nogmaals rechtsaf R319 – Struisbaai en Kaap Agulhas. De bewegwijzering is regelmatig en duidelijk en het wegdek glad, een kind kan de was doen. Hoewel, vlak na Somerset West klimt de weg omhoog. Sir Lowry’s Pass. Opeens rijd ik de wolken in en zie geen hand voor ogen meer. Zicht van niet meer dan een paar meter op een weg vol met bochten naar links en naar rechts en langzaam verkeer dat de weg opkruipt. Passeren is wat link, aanpassen dus en, als er af en toe even iets meer zicht is, snel passeren. Eenmaal over het hoogste punt heen “SIR LOWRY’S PASS 420 m” daalt de weg snel en trekt de mist op. Afwisselend 2-baans en 3-baansweg, dat is op de stukken dat het omhoog gaat. De 2-baans stukken worden door de automobilisten tot een 4-baansweg gemaakt door de vluchtstroken tot een extra rijstrook te promoveren. Het gebruik, ik moet nog even wennen, is dat men haastige medeweggebruikers gelegenheid tot passeren biedt door kort op de vluchtstrook te gaan rijden. Al doende leer ik me te gedragen in het Zuid-Afrikaanse verkeer. Af en toe een dorp, geen industrie, één en al agro. Na Grabouw nog wel wat wijngaarden, maar dat verandert geleidelijk in boomgaarden. Appels, peren, pruimen, perzikken, citrusvruchten? Het is niet zo een, twee, drie te onderscheiden. Vlak voor en na Caledon vooral graan, de grote silo’s midden in het dorp - de enige hoogbouw - leveren het bewijs. Na Bredasdorp veeteelt, dichter tegen de kust een heidelandschap. De dorpen onderweg liggen er keurig bij. Grote witte kerk in het midden, het parkeerterrein vol met de auto’s van de kerkgangers. Net Nederland in de jaren 50 van de vorige eeuw. behalve die auto’s dan, want toen liep iedereen nog naar de kerk. Regelmatig borden waarop “KAAP AGULHAS SUIDELIKSTE PUNT VAN AFRIKA” staat, zorgen ervoor dat die Kaap niet kan worden gemist. Na het passeren van de dorpsgrens van l’Agulhas wordt er zelfs afgeteld. Na de vuurtoren en “nog 1050 meter”, volg ik een ietwat modderig pad. De Kaap is recht vooruit. Hier ontmoeten de Atlantische Oceaan en de Indische Oceaan elkaar pas echt en niet bij de Kaappunt zoals zo vaak wordt beweerd. De laatste meters moeten te voet worden afgelegd. Het is stervenskoud. Meestal klaart het weer hier vrij snel op, vandaag echter niet. Zoals iedereen ga ik obligaat op de foto op de zuidpunt van Afrika, maar het doet me weinig. Ik klim de rotsen op, richt de blik naar het zuiden, richting Zuidpool, en laat me minutenlang zeiknat regenen. Het is hier vandaag net zo onaangenaam als een paar jaar geleden in Ushuaia, de meest zuidelijk gelegen stad op aarde, hoewel die enige duizenden kilometers zuidelijker ligt dan Kaap Agulhas. In tegenstelling tot Nigeria – halverwege Afrika – waar je hoog boven het stadje Lokoja de rivieren de Niger en de Benue zo mooi kunt zien samenvloeien, is er bij de twee oceanen niets te zien. Slechts de uit zee opstekende naaldachtig rotsen die de Portugese zeevaarders hielpen bij het bedenken van de naam voor de Kaap. Goed, ik ben er nu geweest en heb het gezien. Dat was eens en hoeft nooit weer. wordt vervolgd |