KAAPSE KRONIEK - 18 (2101008)

Zaterdag, 22 december 2007. Die pure Calvinistische soberheid van de inrichting van de Öu Slawekerk bezorgt me een ongewoon gevoel van op mijn plaats te zijn. En dat terwijl ik tegen het einde van mijn tienerjaren bewust ongelovig ben geworden en sindsdien slechts voor streng geselecteerde begrafenissen en huwelijksinzegeningen een kerk binnen ga. En af en toe vanwege de bijzondere architectuur. ”So Sę Die Here” staat in gouden letters op de roodfluwelen doek die over de kansel hangt. De enige andere decoratie is de op het plafond geschilderde bloem waarin de lamp is bevestigd. Verder niets. Rijen harde houten banken voor de preekstoel “gemaakt van uit Amerika geďmporteerd eikenhout” vertouwt de dame van dienst me toe. Die op de begane grond hebben tenminste een rugleunig, de banken op de galerij hebben geen enkele ruggensteun. Net zoals in de Nederlandse protestantse kerken moet de aandacht van de gelovigen op het woord van God zijn gericht en mogen zij niet worden afgeleid door de overdadige - maar vaak wel mooie - opsmuk zoals te doen gebruikelijk in de katholieke kerken. De beeldenstorm van 1566 had immers een duidelijk doel voor ogen: het afdwingen van het Bijbelse gebod “U zult geen beelden maken, geen afbeelding van enig wezen boven in de hemel, beneden op aarde of in de wateren onder de aarde. Buig u niet voor hen neer en bewijs hun geen goddelijke eer, .............“. Bijna Islamitisch, bedenk ik, want ook dat geloof verbiedt immers het afbeelden van mensen en dieren?

Op de panelen die in de kerk staan, wordt een poging gedaan de geschiedenis van de slavernij, de zendingsactiviteiten in de wijde omgeving van Kaapstad en de geschiedenis van de Ou Slawekerk tot leven te wekken. Met een beetje historische kennis en een flinke portie voorstellingsvermogen moet dat lukken. De eerste slaven werden kort na het vestigen van de kolonie vanuit Guinee, Madagascar, Angola en Batavia aangevoerd. Zo’n 400. De meesten van dichtbij, weinigen van veraf. Net als de autochtone bevolking waren het “heidenen”. De zendingsposten, zendingskerken en zendingsscholen die werden gebouwd, de bekeringen die werden gemaakt, de dopelingen. Zieltjes winnen was een absolute topsport in die dagen. In dat licht moet ook de bouw van de slavenkerk aan de Langstraat worden gezien, want uiteraard zijn er soorten gelovigen. Hoewel ik me meen te herinneren dat in de ogen van de Heer iedereen gelijk is, vormden de bekeerde slaven, ook al geloofden ze in dezelfde God, een onderklasse die niet welkom was in een “blanke kerk”. “Geboren om de last te dragen” staat er dan ook op het paneel met de geschiedenis van de wereldwijde slavernij. Helder staat mij voor de geest dat tot in de nadagen van de apartheid er blanke “gelovigen” waren, die met een beroep op een of andere bijbelse tekst volhielden dat hun ras superieur was. Ongelooflijk! Ter plekke neem ik me voor om tijdens mijn verblijf in Zuid-Afrika een aantal van die oude zendingsposten op te gaan zoeken, zoals Genadendal bijvoorbeeld, waar ik een week geleden nog niets vermoedend voorbij reed. Zelfs Nelson Mandela is er op bezoek geweest en doopte daarna zijn ambtswoning in Kaapstad om in Genadendal!

Zondag, 23 december 2007. ‘s Ochtends vroeg ontvang ik een uitnodiging per “e-pos” - Afrikaans voor emai l- om langs te komen in Rawsonville. Afkomstig van vrienden van vrienden in Buenos Aires met wie ik al wekenlang tevergeefs contact heb proberen te leggen. Ongeveer honderd kilometer buiten Kaapstad, een fluitje van een cent voor de hedendaagse reiziger. Na Paarl gewoon doorrijden. Net als de vroegste Europese pioniers van de Kaapkolonie, trek ik opnieuw een stukje verder het binnenland in. Kaapstad, Stellenbosch, Paarl, via de Hugenotentunnel - en niet over de Du Toitkloofpas - naar de Breedekloofvallei. De in 1988 in gebruik genomen tunnel zou de langste op het zuidelijk halfrond zijn. Zelfs langer dan de “Dois Irmăoes” in Rio? Ik heb zo mijn twijfels. Als je in Rio aan de kant van Săo Conrado die tunnel uitkomt, zie je over je schouder kijkend de favela Rosinha, de grootste sloppenwijk van Latijns-Amerika. In Zuid-Afrika, totdat vlabij de afslag naar Rawsonville de bebouwbare grond begint, zie je slechts de ruige leegte van de Klein Drakensteinbergen. Daar beginnen, al was het onkruid, onmiddelijk de wijngaarden. De hele vallei blijkt een enorme wijngaard met de ene bodega na de andere. Fraaie Franse en vaderlandse namen: Du Preez, Lorraine, Groot Eiland, Avondrood, Daschbosch.

Rawsonville stelt niet veel voor, ik kan het inmiddels duiden als een typisch plattelandsdorp dat je in een vloek en een zucht achter je laat. De weg volgen tot aan de afslag naar Louwshoek en de Boontjiesrivier, bij de T-kruising rechtsaf en na een kilometer nogmaals rechtsaf. Op de kilometerteller meet ik die 1000 meter af, tot een zandpad door de wijngaarden. “Woont Kobus Kloppers daar” vraag ik aan een man die met zijn kinderen of kleinkinderen aan de wandel is. Die kijken verbaasd, de man legt in het Afrikaans uit dat ik “Hollands” spreek. “Kloppers? Nooit van gehoord. Aan het eind van het pad zou een fotograaf uit Kaapstad wonen die er bijna nooit is. Zoals het op het Zeeuwse eiland Tholen ging, waar mijn eerste schoonouders achter Smerdiek - Sint Maartensijk - een huisje hadden. In de buurt was men over het algemeen uitstekend op de hoogte van het komen en gaan van de mensen van buiten. Bij het huis waar ik uitkom kennen ze Kloppers evenmin, maar ze helpen me wel uit de brand. Vast het nieuwe huis iets verderop. Ze bellen op en jaar hoor daar moet ik zijn. Een fraai opgeknapte “plaas” met een voor Nederlandse begrippen enorme tuin, ter plekke echter ietsje aan de krappe kant. Vanzelfsprekende hartelijke gastvrijheid. We converseren in het Nederlands vermengd met Afrikaans. Een smakelijke lunch vergezeld met door witte wijn die er bijpast. De dag vliegt voorbij. Zo zou het ieder weekeinde moeten zijn, bedenk onderweg terug naar huis.

wordt vervolgd