KAAPSE KRONIEK - 19 (2501008)

Dinsdag, 1 januari 2008. Iets te veel perfect tot het goede alcoholpercentage gefermenteerd druivensap uit de omgeving van Kaapstad, wijn dus, zorgt ervoor dat de overgang van 2007 naar 2008 onopgemerkt aan mij voorbij is gegaan. Zodoende heb ik geen flauw idee of er veel vuurwerk werd afgeschoten, kerstbomen werden verbrand of dat er door baldadige jeugd met de politie werd gevochten. Het is vroeg in de morgen niet al te druk op de weg naar Muizenberg, waar ik wat foto’s wil maken. De Tafelberg ligt er prachtig bij, met het hoofd ietwat hooghartig in de wolken. Rijkdom en armoe langs de snelweg wisselen elkaar in hoog tempo af in de vorm van dure en minder dure woonwijken. Vlakbij zee is er een villawijk die sprekend op een bungalowdorp op Tenerife lijkt, waar ik ruim twintig jaar geleden oud en nieuw vierde. Stralend wit, veel groen en bloemen. Aan de overkant grauwe vervallen flatgebouwen met kaalgetrapte voetbalveldjes. In flink wat raamkozijn zit geen glas, maar hangen flapperende lappen plastic. Op en bij het strand is het onverwacht druk. Het ziet er letterlijk zwart van de mensen, terwijl het niet echt strandweer is. De picknickweides zitten rond koffietijd al behoorlijk vol. Volgens collega’s “een nieuwjaarsdagtraditie”. Met z’n allen op een kluitje op het gras, mij niet gezien.

Kan me niet herinneren dat Muizenberg - spreek uit: Muuzenberg - ooit tijdens de lessen vaderlandse geschiedenis werd genoemd. Terwijl de onbeduidende Slag van Muizenberg, 7 augustus 1795, het begin van het einde van de Nederlandse kolonie in zuidelijk Afrika zou inluiden. Een lullig bord naast het voormalige VOC Posthuys, waar tol werd geheven, beschrijft die historische gebeurtenis. Tijdens de Napoleontische bezetting van Nederland namen de Britten overal ter wereld door de VOC bestuurde gebieden over. De Fransen waren immers de vijand. In 1804 kreeg de VOC de kolonie terug, maar na de Slag van Blaauwberg in 1806 ging de Kaap definitief over in Britse handen. Voor het op zon- en feestdagen gesloten Posthuys – nu een museum – liggen wat oude kanonnen, zo ook bij het station. Het naastgelegen Politiemuseum is uiteraard ook gesloten, doch vanwege “structurele schade”. Waarschijnlijk betreft dat de tegenwoordig politiek wat misplaatste collectie. Cecil Rhodes – naar wie Rhodesië werd vernoemd – had zijn zomerhuis Muizenberg. Voor de rest stelt het dorp aan het strand van Valsbaai niet al te veel voor. Prachtige golven, dat wel. Helaas liggen tussen het dorp en de oceaan een drukke weg en de spoorlijn van Kaapstad naar Simonstad. Langs de weg het dorp uit, is het strand dat voorheen uitsluitend voor “kleurlingen” was bestemd. Het valt me opnieuw op hoe men zich zo lang na het beëindigen van de rassenscheiding nog steeds gedraagt alsof die nooit is opgeheven. Op het strand tenminste.

Vanaf het het Kaapschiereiland terug naar huis zijn er verschillende mogelijkheden. Dezelfde weg terug of via Chapman’s Peak, een prachtige route langs de kust met een idyllisch uitzicht op Houtbaai. Of via de snelweg. Of omrijden langs de oceaan, het Wolfsgat natuurreservaat en de buitenkant van de gigantische sloppenwijk Kayelitsha. Het wordt de snelweg tot aan de afslag naar Constantia, een “well to do” voorstad van Kaapstad. Daar, aan de achterkant van de Tafelberg, kreeg Simon van der Stel in 1685, jaren voordat hij gouverneur van de kolonie werd, een flinke lap grond toegewezen. Uit respect, of uit pure dankbaarheid voor het hem gegunde buitenkansje, noemde hij zijn boerderij, want dat was het, naar de dochter van de gulle gever. Dat was gouverneur Rijckloff van Goens wiens dochter Constantia Louisa heette. Naderhand kocht van der Stel aangrenzende bedrijven aan. Toen hij in 1712 overleed, had zijn bedrijf een oppervlakte van ongeveer 2.400 hectare. Groter dan de nieuw aan te leggen Tweede Maasvlakte bij Rotterdam, die zo’n 2.000 hectare groot zal worden. Groot? Alles is relatief. Houtbaai, waar de VOC hout vandaan haalde voor scheepsreperatie en de bouw, ligt er zoals steeds ontspannen bij. Ik laat het dorp links liggen en rijd via de exclusieve kustdorpen Llandudno en Camps Bay terug naar de Moederstad, de bakermat van de Kaapkolonie.

Met het eerste glas witte wijn van het nieuwe jaar in de hand, kijk ik op Al Jazeera naar een vraaggesprek met Wyclef Jean. De man die ruim tien jaar geleden platen opnam met the Fugees – “Killing me softly!” - en twee jaar geleden, met Shakira, “Hips don’t lie”. Wereldhits. Wyclef is een gewilde muziekproducent en verdient daar miljoenen mee, maar zijn geboorteland is hij niet vergeten. Met zijn NGO “Yéle Haïti” helpt hij actief mee aan armoedebestrijding and AIDS preventie, hoewel dat soms op onbegonnen werk lijkt. Haïti, ooit de rijkste Franse kolonie, is het armste land op het westelijk halfrond. Het Zimbabwe model avant la lettre. Ook ik ben Wyclef’s vaderland nog niet vergeten, een jaar geleden stak ik de grens tussen de Dominicaanse Republiek en Haïti een paar keer over. Niet op blote voeten door het water, zoals veel dorpelingen, maar over de nieuwe voetbrug die de weekmarkten op beide oevers met elkaar verbindt. De grens loopt tussen de dorpen Pedernales en Anses-á-Pitre en wordt gevormd door de Río Masacre – de Bloedbadrivier! De naam verwijst naar het in 1937 door dictator Trujillo aangerichte bloedbad. Tienduizenden Haïtianen, levend en werkend aan de Dominicaanse kant van de grens, werden toen bruut afgeslacht. Jaren later werd Trujillo door de VS gedwongen tot het betalen van compensatie. Het bedrag was zo laag, dat het hem verleidde te verklaren dat nu officieel was vastgesteld dat de waarde van een Haïtiaan niet meer dan 20 dollarcent bedroeg. Tot op de dag van vandaag vormen Haitiaanse gastarbeiders een uitgebuite onderklasse aan de meer welvarende kant van het eiland Hispaniola. De armoede die ik in Haïti zag, is schrijnend, en het lijkt soms verdacht veel op de armoede die in sommige Zuid-Afrikaanse townships heerst.

wordt vervolgd