|
KAAPSE KRONIEK - 20 (3101008) Vrijdag, 4 januari 2008. Het weerbericht waarschuwt dat de “Cape Doctor”, een harde wind uit het zuid-oosten, op komst is. Al is het niet veel, Kaapstad en Buenos Aires hebben tenminste die zuidooster gemeen. O ja, en beide steden zijn zeer in trek bij homofiele en lesbische toeristen. Naar ik vrijwel zeker weet, heeft dit niets met elkaar te maken, doch bewijzen kan ik het niet. De “Kaapse Dokter” wordt zo genoemd omdat de wind de lucht grondig schoon blaast en aldus de vervuiling, ziektekiemen en de gevolgen daarvan bij de Capetonians weghoudt. Er zijn dagen dat je echt tegen de wind in kan hangen zonder op je gezicht te vallen. De “dokter” levert leuke voorpaginafoto’s op. Uiteraard van goed ogende jonge vrouwen met hoog opwaaiende rokken. Veel hoger dan op die beroemde foto van Marilyn Monroe in witte jurk waarvan de rok opbolt boven het luchtrooster van de ondergrondse. De “Kaapse Dokter” waait zeer regelmatig tijdens de zomermaanden en houdt de gevoelstemperatuur op een aangenaam niveau. De “sudestada” in Buenos Aires wordt daarentegen vergezeld door zware regenbuien en veroorzaakt steevast overstromingen in de lager gelegen delen van de stad. Gelukkig waait de “sudestada” minder vaak, maar wel in de herfst en winter, waardoor het dan waterkoud is. Niet echt een reden om naar “Mi Buenos Aires querido” – om met Carlos Gardel te spreken - terug te verlangen. Zaterdag, 5 januari 2008. “Ça fait long temps!” begroet een handelaar me op de Pan African Market. Dat krijg je zo onvoorzichtig bent om te laten blijken een mondje Frans te spreken. Het is inderdaad een hele tijd geleden, want ik heb hier nooit eerder een voet over de drempel gezet! Waarom ik dit intrigerende gebouw aan de overkant niet eerder van binnen heb bekeken weet ik eigenlijk niet, want er waren aanleidingen zat om dat wel te doen. Allereerst de voorgevel: mooi Victoriaans met hoog in de gevel een gedenksteen die de nieuwsgierigheid opwekt. “IN MEMORY OF MINNIE & MARIA BAM, FOUNDED 1866, REBUILT 1903”. In de hal op de begane grond hangen ingelijste - en helaas zwaar verwaarloosde - oude bouwtekeningen, fraai tegelwerk op de vloer en op de muren, in het trappenhuis hier en daar de originele glas in lood ramen. Vroeger was dit de “Young Womens Christian Association”. In de kamertjes waar voorheen Christelijke jongedames onderdak vonden, zijn nu de winkeltjes van gekleurde medemensen uit alle delen van Afrika gevestigd. Frans en Portugees zijn er veel gehoorde talen in onderlinge gesprekken. Witte kopers, zwarte verkopers. De handelswaar bestaat uit een keur van houtsnijwerkjes die afkomstig zijn uit alles behalve Zuid-Afrika. Ik herken het. Nigeria, Gabon, Kameroen, Ghana. Nog nooit heb ik zoveel maskers bij elkaar gezien, in de West-Afrikaanse landen waar ik heb gewoond of gie ik heb bezocht, werden hoofdzakelijk maskers uit eigen land verkocht. Weinig beschilderde struisvogeleieren. hét Zuid-Afrikaanse souvenir bij uitstek, in de aanbieding, maar wel aardig wat driedimensionale schilderwerkjes van een township. Daarin zijn stukjes blik of karton verwerkt om, geheel waarheidsgetrouw, de onderkomens van de bewonders af te beelden. “Gemengde techniek” heet dat in de meer verfijnde westerse kunsthandel. “Colons”, houten afbeeldingen van kolonialen in Frans West-Afrika, zag ik voor het laatst op de markt van de wijk Plateau in Abidjan, Ivoorkust. Voordat de burgeroorlog uitbrak welteverstaan. Die dingen zag je destijds nooit in de buurlanden, de tijden zijn veranderd sinds ik Afrika een jaar of tien geleden uit Afrika vertrok. In Kaapstad zijn honderden “Colons” te koop in alle maten en soorten, tot en met Kuifje toe. “Kuifje in Afrika” n’est ce pas? Dat het boek van de Belg Hergé in minder zwarte landen ver weg tegenwoordig als racistisch wordt beschouwd, maakt op het continent zelf kennelijk niets uit. Handel is handel. Men heeft er vast geen weet van dat de uitgever van de Engelstalige versie tegenwoordig de waarschuwing “De strip bevat bourgeois paternalistische stereotypes uit een vroeger tijdperk die sommige lezers aanstootgevend kunnen vinden” in het boek zet. Wat een geleuter, alsof de televisie tijdens een uitzending van het Jeugdjournaal of Sesamstraat een pittige pornofilm gaat vertonenen. Kamer na kamer met meer van hetzelfde, ateliers waar Afrikaanse kleding wordt geborduurd, op de bovenste verdieping een schildersatelier waar jongens uit Congo Brazaville aan het werk zijn en de praktijk van Dr. Abu, Member of the African Healers Association. Ernaast het lokaal waar drumlessen worden gegeven. De leerlingen en leraren slepen iedere zaterdag rond het middaguur de drums mee naar het balkon vanwaar ze een openbaar optreden verzorgen. Dat kan ik vanaf mijn terras horen. Gek hoor, die lelieblanke jongens en meisjes die de voor Afrikanen zo vanzelfsprekende snelle ritmes proberen bij te houden. In een minder in de loop liggende kamer wordt me met grote stelligheid een masker uit Kameroen aangeboden. Hoewel ik volhoud niet geïnteresseerd te zijn, houdt de verkoper aan. Hij heeft, zo zegt hij, geld nodig voor het verjaarspartijtje van zijn dochtertje. In minder dan vijf minuten zakt de prijs van 1.950 Rand naar 500 Rand, van 200 Euro naar 50. Maar ik heb echt geen interesse, of het ding duur is of goedkoop maakt niets uit. Hij is zwaar teleurgesteld. Net zo zwaar als ik, maar om een andere reden. Ondank vele naspeuringen op het internet, lukt het me niet om te ontdekken wie Minnie en Maria Bam van de gevelsteen waren. Het zullen wel oppassende meisjes of dames zijn geweest. De gulle gevers van het gebouw wellicht. Wat heb ik de pest in dat ik daar niet achter heb kunnen komen. In de supermarkt ontdek ik “aangesuurde karringmelk”. Karnemelk, vermoed ik, daar heb ik echt zin in. Dat is iets dat ver van huis soms best gemist wordt. Thuis gekomen schenk ik een glas vol wat met het meest op brokken room met waterige melk lijkt. Niet te zuipen! Het wordt onmiddelijk door het toilet gespoeld. On apprend tous les jours, zelfs in Kaapstad. wordt vervolgd |