KAAPSE KRONIEK - 23 (15021008)

Zaterdag, 19 januari 2008. “Ben je al eens in een township geweest?” informeerde een jonge zwarte Zuid-Afrikaanse collega begin december onverwacht. Tot dan toe hadden we het hoofdzakelijk over de universele mannenonderwerpen gehad: voetbal en vrouwen. Een kort ritje door Mandela Park bij Houtbaai dat was al. Niet écht een bezoek. In een georganiseerde township excursie, waarvan een ruim aanbod voorhanden is, had en heb ik absoluut geen trek. De uitnodiging om mee te gaan naar Guguletu, niet al te ver van het stadscentrum, kwam als een geschenk uit de hemel. Hoewel de datum meerdere malen werd vooruitgeschoven, werd de belofte niet vergeten en wat in het vat zit verzuurt immers niet? Gisteren stuurde hij me een programma, een keurig lijstje met al de dingen die we morgen zullen gaan doen. Desondanks heb ik geen flauw idee wat me te wachten staat. Een soort Khayelitsha? De grootste “informal settlement” oftewel sloppenwijk in de buurt van Kaapstad, waarvan de onderkomens bestaan uit van alles en nog wat en waar de armoede vanaf straalt? Met mijn niet onaanzienlijke sloppenwijkervaring elders in de wereld in het achterhoofd, heb ik voldoende vergelijkingsmateriaal beschikbaar. Maar toch, wat zal het worden?

“Gugs” zoals de populaire afkorting van Guguletu luidt, ontstond in de jaren 60 van de vorige eeuw nadat Kaapstad tot “slegs vir blankes” was verklaard. Langa, de bestaande voorstad voor zwarte Zuid-Afrikanen kon de toevloed van nieuwe bewoners niet aan en aldus ontstonden Nyanga en Guguletu. In Gugs wonen hoofdzakelijk Xhosa’s, in hun taal betekent Guguletu “onze trots”, een zeer positieve benadering van een klote situatie. Na van de grote weg te zijn afgeslagen en het station van Heideveld – geen erica te bekennen - te zijn gepasseerd, rijden we de township in. Even na een brug, een braak liggend terrein waarop aan de verre kant een paar lage ronde hutten van gras zijn gebouwd. Er scharrelen wat jongens rond. Mijn gastheer meldt dat dit een belangrijke, hoewel wat gekunstelde, plek is. Jonge mannen van tussen de 18 en 20 jaar oud worden er besneden en ingewijd in de gebruiken van hun etnische groep. Zo vlak bij de grote stad, in het volle zicht van duizenden voorbijgangers, valt dat beslist niet mee. Na een week of vier gaan ze terug naar hun gemeenschap, waarin ze vervolgens een maand of zes herkenbaar en onder begeleiding rondwandelen. Tijdens die periode geen alcohol, niet roken, geen seks. Na afloop van hun initiatie wordt de hut – de Iboma – verbrand, ze mogen niet omkijken als dat gebeurt, het is een symbolisch afscheid van hun jeugd. “iKwrala - een nieuwe man” heet zo’n juist ingewijde jongeling. Ze zijn op straat onmiddellijk te herkennen door hun uit de toon vallende nette kleding en de pet op hun hoofd. We zullen er later een paar tegenkomen, die op verzoek poseren voor een foto. Maar niet na te hebben geïnformeerd of ik een beroepsfotograaf ben, want in dat geval moet er worden geschoven.

Ter voorbereiding op het bezoek heb ik wat huiswerk gemaakt en ben de geschiedenis van de “Guguletu 7” tegengekomen. De geschiedenis van 7 jonge zwarte mannen, handlangers van de apartheidspolitie dat wel, die op een moment dat het goed uitkwam door hun broodheren als zjnde “terroristen” werden geliquideerd. Die moord, op 3 maart 1986, werd opgeblazen tot een belangrijk succes van het toenmalige regime in de “strijd” tegen het ANC, doch uit onderzoek van de post-apartheid Waarheids- en Verzoeningscommissie kwam aan het licht hoe het echt in elkaar had gezeten. De politie had de jongemannen getraind, van wapens voorzien en op het gewenste moment in de val gelokt. Het hele gedoe was in scène gezet. Op de plaats waar de moord plaatsvond staat een monument. Zeven glad gepolijste granieten platen waar de silhouetten van de Guguletu 7 zijn uitgezaagd in de houding waarin ze op straat lagen na te zijn neergeschoten. Het herinnert me aan het Malvinasmonument in de zuidelijke Argentijnse stad Ushuaia. Hoewel aldaar natuurlijk het silhouet van de omstreden eilandengroep is uitgezaagd in plaats van gesneefde menselijke figuren.

Terwijl ik het monument bekijk en fotografeer klinkt vanaf de straathoek opgewekte muziek. Jonge muzikanten, zangers en zangeressen verzorgen een openbaar optreden. Volgens mijn gastheer iets heel gewoons, op deze manier hopen ze te worden ontdekt. Dat is ook in de buurt waar ik woon een fenomeen op zaterdag. Met op de achtergrond het handgeschreven reclamebord van een “specialist” die vrijwel alle huishoudelijke apparaten repareert en met flink wat publiek op straat gaan ze onvermoeibaar door. Goed geoefende danspasjes, meerstemmige koorzang en elkaar afwissellende solisten die hopen op hun eerste platencontract of betaalde optreden. Dankzij de vele containerwinkels in de buurt waan ik me bijna in het echte Afrika dat ik ken. Reeds bij het binnenrijden van de wijk zag ik de containers die waren omgebouwd tot winkels, kapsalons, overal kapsalons, en werkplaatsen. Net Awolowo Road en Falomo Square in Lagos. Daar verschenen zo’n jaar of 15 geleden vanuit het niets de containerwinkels langs de straat. Waarschijnlijk gejat, met de snijbrander een paar ramen en een deur erin gemaakt en klaar was kees. Vanaf mijn op de 12e verdieping gelegen appartement zag ik daar in sommige achtertuinen zelfs grotere containers staan die als woning werden gebruikt. In Gugs van hetzelfde laken een pak, hoewel er sprake is van een verbeterde versie. Veel fraaiere decoratie aan de buitenkant en luxer qua inrichting. Onbewust heb ik dit meer gemist dan ik tot nu toe wilde toegeven. Als enige blanke in de wijde omgeving, voel ik me niet alleen zeer op mijn gemak, ik voel me thuis!

wordt vervolgd