KAAPSE KRONIEK - 26 (27021008)

Vrijdag, 25 januari 2008. Noodgedwongen moet ik naar het postkantoor om een brief af te halen waarvan de envelop te groot was voor mijn brievenbus. De hoofdingang ligt aan de Parade, het grote plein dat aan de andere drie kanten wordt begrensd door het voormalige hoofdkwartier van de VOC, het station en het stadhuis. Ach, dat wat verlopen stadhuis met het balkon waarop Nelson Mandela verscheen nadat hij in 1994 tot “president elect” was geproclameerd. De schrijver Tom Lanoye schreef een prachtige column in de NRC over hoe hij dat moment beleefde én waarom hij die dag nooit zal vergeten. Hij werd, zoals hij dat zelf noemt, feestelijk beroofd. Gerold in de uitzinnige massa. Er is nog steeds veel menselijk verkeer op de Parade. Tijdens marktdagen en tijdens de spitsuren als menselijke lawines zich van en naar hun trein spoeden. Hoewel er “Hoofposkantoor” op de gevel staat - en “General Post Office” aan de achterkant – moet iemand die er voor het eerst over de drempel stapt danig moeite doen om de loketten van de Zuid-Afrikaanse posterijen te vinden. De begane grond is omgedoopt tot “Grand Parade” hoewel er geen sprake van enige grandeur is. De hal, bijna zo hoog als een middeleeuwse kathedraal, is gevuld met kleine cafetaria’s zoals het “Café District Six” en marktstalletjes waar van alles en nog wat te koop is. In het midden staat de informatiebalie van toen waar de vergane glorie vanaf straalt. De koperen houders voor formulieren - “DOEN AANSOEK BY TOONBANK VIR ANDER VORMS“ - die hier aan de natuurstenen balie konden worden ingevuld, hangen er nog. In Buenos Aires zouden die dingen al lang zijn gesloopt en als oud ijzer verpatst. Ondanks de stellige beweringen van het tegendeel, bestaat er in Kaapstad wel degelijk respect voor wat eens de trots van de Republiek was! Op de wanden een zestal keurig genummerde wandschilderingen die letterlijk hoog verheven zijn boven het gekrioel op vloer beneden. De verbeelding van de tijd van weleer: van Riebeeck, zo vermoed ik, die voet aan wal zet, een Engelse officier die zijn geliefde verwelkomt bij de ingang van het Kasteel, idyllische taferelen van het platteland. Uiteraard met een Kaaps-Hollandse boerderij op de achtergrond. Immigranten die door het water naar het strand waden, een straattafereel aan de voet van de Tafelberg. Zo te zien in de straat waar ik tegenwoordig woon. Tenslotte de aankomst van een groot passagiersschip met modernere immigranten die enthousiast worden verwelkomd. Het valt me reuze mee dat de witkwast er niet overheen is gehaald. Met de roltrap naar boven, rechts rijen blauwe postbussen, recht vooruit een grote hal waar ik mijn brief in ontvangst neem. In de gang naar de achteruitgang een serie friezen waarop de weg die een brief van afzender naar ontvanger soms moet afleggen staat afgebeeld. Tot en met de sortering in de nachtposttrein. Vliegtuigen nee, luchtpost bestond toen kennelijk nog niet. Tegenover het postkantoor ligt het Ou Mutualgebouw, waar de friezen met de geschiedenis van Zuid-Afrika op de buitengevel zijn aangebracht. En ...... beide gebouwen hebben een torentje dat wordt bekroond door net zo’n deksel als de voorraadpotten uit de keuken van mijn grootmoeder hadden.

Als het morgen goed weer is, ga ik de Tafelberg beklimmen. Iets dat ik voor onmogelijk hield, totdat een collega een paar weken geleden vertelde dat hij dat in het weekeinde met zijn logees had gedaan. Niet via de steile voorkant, maar via een langere route aan de achterkant van de berg. Volgens hem zou ik dat makkelijk aankunnen en stelde in een adem voor omdat binnenkort te gaan doen. In mijn jeugdig enthousiame accepteerde ik dat zonder er verder bij na te denken. ”Zou je dat wel doen?” werd mij bij het afsluiten van de werkweek bezorgd gevraagd. Niet vanwege de mogelijke moeilijkheidsgraad. Door een ongelukkige samenloop van omstandigheden werd, mede door mijn toedoen, degene die mij op sleeptouw gaat nemen gisteren ontslag aangezegd. Voor de zekerheid had ik hem gevraagd of de trip desondanks door zou gaan, waarop hij zonder meer “natuurlijk” had geantwoord. Dus waarom niet? Een raar soort wantrouwen, vond ik. Alles waar je bang voor bent, zal je immers overkomen?

Zaterdag, 26 januari 2008. Het is prachtig weer. Wolkenloos en windstil. Ideaal wandelweer derhalve. Om een uur of zeven word ik thuis opgepikt en rijden we om de voet van de Tafelberg heen naar de botanische tuin van Kirstenbosch, alwaar het begin van de door ons gekozen route ligt. Vroeg op pad gaan, het is hartje zomer op het zuidelijk halfrond, is essentieel. Een een paar uur later vertrekken staat gelijk aan een een ernstige vorm van zelfkastijding. Er zijn verschillende routes om de top te bereiken, wij gaan via “Skeleton Gorge”. Vanzelfsprekend staat er zo’n bezint eer gij begint waarschuwingsbord: “Houdt er alstublieft rekening mee dat deze klim mogelijk moeilijk en zelfs gevaarlijk kan zijn”. Dat het beklimmen van de Tafelberg soms inderdaad levensgevaarlijk is, is met enige regelmaat in de krant te lezen. Berovingen en aanrandingen en zo, terwijl er eerder deze week er nog een paar Duitsers naar beneden zijn gevallen en dat niet hebben overleefd. De goede raad om bij voorkeur nooit alleen pad te gaan, hebben wij ter harte genomen. Mijn metgezel heeft bovendien uit voorzorg – zo vermoed ik - een knobkerrie bij zich. Een stevige wandelstok. Hij is opgegroeid in Rhodesië en heeft daar in het leger van Ian Smith en zijn blanke bewind meer dan genoeg ervaring opgedaan om dit soort kleine ongemakken het hoofd te kunnen bieden. Zelf weiger ik me zorgen te maken over dergelijke kleinigheden. Onderweg te genieten, in redelijke staat de top bereiken en daarna in goede gezondheid weer thuis te komen, daar gaat het mij om. De rest is bijzaak.

wordt vervolgd