|
KAAPSE KRONIEK - 28 (07032008) Vrijdag, 8 februari 2008. President Mbeki opent het parlementaire jaar in Kaapstad. Zoiets als Prinsjesdag. De dames die belangrijk zijn in de politiek of de partner zijn van iemand die belangrijk is, lopen er fraai opgetuigd bij. Zoals het hoort op Prinsjesdag. Trevor Manuel, de Minister van Financiën, leest de begroting voor in het Parlement. Net de conference van een populaire caberetier. Verfrissend. Heel anders dan Prinsjesdag. De president verontschuldigt zich voor de ongemakken die zijn en worden veroorzaakt door de stroomonderbrekingen die het land sinds kort teisteren. Obligate woorden die niets oplossen. Al luisterend moet ik aan een anekdote denken van een chauffeur die me kort geleden naar het vliegveld bracht. Echt waar of verzonnen, het maakt niet veel uit. Het gaat om de couleur locale. Een inwoner van een township had een nieuw televisietoestel gekocht, dat eenmaal aangesloten niet aan zijn verwachtingen voldeed. Het ding ging aan en uit, aan en uit. Net een knipperbol. De koper baalde verschrikkelijk, retourneerde het toestel naar de leverancier en eiste zijn geld terug. In de winkel werkte de tv echter perfect, geen enkele reden om geld terug te geven. Weer thuis probeerde hij het opnieuw. Zelfde probleem. Ten einde raad raadpleegde de koper een ter zake kundige kennis die al snel door had wat de oorzaak was. Zijn vriend tapte illegaal elektriciteit af van het stoplicht tegenover zijn huis en het televisietoestel schakelde aan en uit op het ritme waarmee dat licht van kleur veranderde. Een allerdaags Zuid-Afrikaans verhaal dat op een ludieke manier één van de vele oorzaken van de tekorten beschrijft. Townshipbewoners die tijdens de apartheidsjaren bij wijze van passief verzet hun elektriciteitsrekening weigerden te betalen, leven wat dit betreft nog steeds in het verleden. Zondag, 10 februari 2008. Voor de verandering ga ik op zoek naar een karamat, een islamitische schrijn. Net zoals moslims, zijn daar in Kaapstad en omgeving aardig wat van. Het zijn de graven van “islamitische heiligen” zo lees ik. Langs de weg tussen Rawsonville en Worcester, in de Breedekloof Vallei, zouden er een paar zijn, waaronder die van Tuan Masud. Uitzonderlijk omdat die schrijn zo ver buiten de stad ligt. “De karamat is te herkennen aan een grote boom die tussen twee heuvels staat. Aan beide kanten van de weg zijn andere karamats te vinden” meldt de Cape Mazaar Society. Gooi maar in mijn pet. Het barst daar van de heuvels en de grote bomen en er zijn meerder wegen die van Rawsonville naar Worcester leiden. Maar goed, de zoektocht naar de karamat heeft als bijkomend voordeel dat ik een tot nu toe nog niet eerder verkende route kan rijden. Na de Hugenotentunnel begint het te plensen, een wolkbreuk zonder eind. Mijn aandacht is gedwongen op de weg gericht, zodat er geen gelegenheid is om een karamat te ontdekken. Voordat ik het weet, ben ik in Worcester. Teruggaan en nog eens kijken? Dat heeft met dit soort weer weinig zin, vandaag geen “zoekt en gij zult vinden”. Worcester ziet eruit als een groot welvarend plattelandsdorp. Aan het begin van de bebouwde een bord van de ATPV – de Afrikaanse Taal en Kultuurvereniging – dit is een trots Afrikaner dorp. Bij de uitvalsweg naar het volgende dorp de “lokatie” de plek waar de gekleurde medemens in het verleden werd geacht te wonen en – ondanks de afschaffing van de apartheid – kennelijk nog immer wordt geacht te wonen. De stadsplanning van weleer is mij inmiddels overduidelijk. Zoals ik zowel in Brazilië als in de Dominicaanse Republiek altijd precies wist wanneer een stad of dorp naderde – door de als “motel” vermomde bedrijven waar kamers per uur te huur zijn - herken ik de nabijheid van Zuid-Afrikaanse dorpen en steden aan de townships of lokaties. De weg van Worcester via Villiersdorp naar Grabouw loopt parallel aan de Hottentothollandbergen, waarvan de bovenkant zich achter wolken en/of wolkenslierten verbergt. Wijnbouw tot bij de Doorns, daarna opeens veel braak liggend land. Berghellingen van geel zand, zo lijkt het. Dorpen met namen als Moddergat en Koppies. Villiersdorp ligt er op zondag verlaten bij. Een ouderwets boven alles uitstekende kerk van de Nederduits Gereformeerde Kerk in het centrum, Oom Hennie se Stoepwinkel tegenover de lokatie aan de buitenkant. Daar is er wél gezellig druk menselijk verkeer. Langzaam maar zeker verschijnen de appel- en perenbomen aan beide kanten van de weg. Van de ene monocultuur – wijnbouw – rijd ik de andere binnen. Vyeboom, Theewaters, Grabouw. Zomer in Zuid-Afrika: regen, regen, regen. De N2, de grote weg naar Kaapstad. Sir Lowry’s Pass, Sommerset West, de afslag naar Kuilsrivier, het dorp waar Marlene Dumas werd geboren. Regen, regen, regen. Na een paar honderd kilometer en uren rijden, ben ik weer thuis in het centrum van Kaapstad zonder te hebben gevonden wat ik zocht. Gewoon een saaie zondag. Zondag, 17 februari 2008. Tot vervelens toe zie ik iedere dag vanuit mijn kantoor de haven van Kaapstad en de overkant van de Tafelbaai. Mediterraan in de zon schitterende witte huizen, een industriegebied, aan de horizon een niet al te hoge bergrug. De noordelijke voorsteden waarvan ik naam niet kende, totdat ik het mijn collega’s vroeg. Blaauwberg spreekt het meeste aan vanwege “de Slag bij” in 1806. De slag die niet meer dan een schermutseling was, maar die wel het einde van de vaderlandse heerschappij over de Kaapkolonie definitief inluidde. De kolonie werd vrijwel zonder slag of stoot aan de Britten overgedragen, doch niet nadat zeker was gesteld dat het goede leven aan de zuidpunt van Afrika op de zelfde wijze, hoewel onder andere vlag, zou kunnen worden voortgezet. Welvarende voorsteden zijn het, met een prachtig uitzicht op de Tafelberg aan de overkant van het water. Hoewel minder welvarend dan de zuidelijke voorsteden aan de achterkant van die berg. Wat ze gemeen hebben is dat het blanke enclaves zijn. wordt vervolgd |