KAAPSE KRONIEK - 29 (12032008)

Zondag, 17 februari 2008. Paarden Eiland, Table View, Blaauwberg, Melkbosstrand en dan houdt de stad zomaar op. Een tweebaansweg met vluchtstroken, die zoals overal rond Kaapstad wordt gebruikt extra rijstroken. Een bord met “Wes Kus” en even verder “West Coast”. Links de Atlantische Oceaan, rechts droog heuvelland dat is bedekt met Kaaps fijnbos. Dan, opeens, de afslag naar de kerncentrale van Koeberg. Dat ik dit nog mag meemaken! Lang geleden solliciteerde ik en kreeg een baan aangeboden bij Rotterdam Nuclear en vrijwel gelijktijdig bij mijn huidige werkgever. Hoewel het geboden salaris stukken hoger was, leken de vooruitzichten gelijk al stukken minder. Rotterdam Nuclear, een dochter van de Rotterdamsche Droogdok Maatschappij, zou reactorvaten voor kerncentrales gaan produceren en stond op het punt een belangrijke order voor Zuid-Afrika af te sluiten. De Nederlandse regering, roomser dan de paus, vond echter dat dit soort zaken met het apartheidsregime niet door de beugel konden en verleende geen exportvergunning. Prompt ging de opdracht naar een Frans bedrijf. De Fransen waren, en zijn, nu eenmaal stukken pragmatischer als het om de doorgaans wat twijfelachtige combinatie van principes en poen gaat. Is het met de onderzeeboten voor Taiwan niet net zo gegaan? Rotterdam Nuclear is geloof ik uiteindelijk failliet gegaan. Koeberg herinnert me eraan dat ik nooit spijt heb gehad van de keuze van destijds. Als ik toen geen “nee” had gezegd tegen Rotterdam Nuclear, zou ik Koeberg waarschijnlijk nooit van mijn leven hebben gezien.

Yzerfontein, Langebaan, Saldanha, Vredenburg. Op tientallen kilometers van elkaar vormen ze een slordig geregen ketting van dorpen langs de kust. Aan de landkant van de weg een eindeloos leeg heuvelachtig landschap. Laag groeiend fijnbos, nauwelijks bomen. Patagonisch bijna. Precies zoals tussen Puerto Madryn en het vliegveld van Trelew in de Argentijnse provincie Chubut. Bij Vredenburg rechtsaf richting Hopefield, een klein dorp met een enorme luchtmachtbasis. Het land blijft droog, ruig en kaal. Af en toe de richtingaanwijzer naar een onzichtbare boerderij. Eenzame windmolens die op water onder de oppervlakte duiden. Na zo’n dertig kilometer wat schapenfarms. Dat klopt voor mijn gevoel, zijn dat niet de enige dieren die onder deze omstandigheden weinig moeite hebben om te overleven? Tien kilometer voor de grote weg, zestig kilometer van de oceaan, verschijnen plotseling – het zou geen verassing moeten zijn – de in de wijde omgeving van Kaapstad onvermijdelijke wijngaarden. Vlak voor Malmesbury opnieuw rechtsaf terug richting Kaapstad. Na bijna drie uur rijden, blijkt die stad opmerkelijk dichtbij. “Cape Town - 55 km” staat er op een heuveltop even voorbij het stadje. De Tafelberg is duidelijk zichtbaar aan de einder. Op de parkeerplaats op 31 kilometer van de stad heb ik het mooiste uitzicht op berg en stadscentrum dat ik tot nu toe heb gehad!

Zaterdag, 23 februari 2008. Een kort krantenbericht meldt dat Jean Ping, de Minister van Buitenlandse Zaken van Gabon, het buitenlandse beleid van de Afrikaanse Unie gaat coördineren. Zo’n bericht herinnert onmiddelijk aan de jaren dat ik in Gabonese hoofdstad Libreville woonde en samenwerkte met Charles Chen, de neef van Minister Ping. Beiden hadden een Chinese vader en een Gabonese moeder. Ping en Chen zijn nazaten van twee avontuurlijke Chinezen die in het kustdorp Oumboué waren beland en blijven hangen. Hun kinderen hebben het ver geschopt en zijn vooraanstaande burgers in de kleine olierijke republiek. Ping, een stuk slimmer dan Chen, was een tijdje getrouwd met Pascaline, de dochter van President El Hadj Omar Bongo. In de wijk la Sablière was Pascaline destijds een paleisachtige villa aan het bouwen naast het bescheiden huis waar ik in woonde. Ze was lid van de Raad van Commissarissen van het bedrijf waar ik werkte. Tijdens de vergaderingen van die Raad deed ze soms een hazenslaapje. Niemand die het haar kwalijk nam of mocht nemen. De dochter van de President kon zich zoiets permiteren, zo werd mij te verstaan gegeven. Dat was wel even wennen, maar alles went. Zelfs dat.

Het was een grote verassing dat de herinnering aan Pascaline en Gabon in 2006 in de Dominicaanse Republiek werd opgefrist door mijn aanstaande huisbaas. Die moest eerst aan mij snuffelen voordat ik zijn gemeubileerde appartement in Santo Domingo mocht huren. Bij de portier meldde de mevrouw van het makelaarskantoor dat we een afspraak hadden met Señor El Canario. We werden verwacht. Wist ik veel dat de man een beroemde salsazanger was die gewoon José Alberto heette. Mijn cv werd zo’n beetje doorgenomen. Waar ik vandaan kwam, waar ik woonde en had gewoond. Op die laatste vraag antwoordde ik waarheidsgetrouw “lange tijd in Afrika”. “Waar dan wel?” drong hij aan. Nou ja tien jaar in Nigeria en een paar jaar in Gabon. Van dat laatste land heeft zelden iemand gehoord, maar de heer en mevrouw Canario dus wel. Hij en zijn orkest traden namelijk regelmatig op in het presidentiële paleis, zo vertelde hij. Daar was ik ook weleens geweest, een dag nadat ik in Libreville was gearriveerd. Mijn werkgever weigerde het presidentiële vliegtuig af te tanken, tenzij de uitstaande rekeningen werden betaald. Op zaterdagochtend gingen een collega en ik naar het paleis waar we, tot mijn lichte verbijstering en haar verassing, tien miljoen CFA Francs in ontvangst mochten nemen. Die kwamen uit een ruimte die vol met geld lag. We hadden op een cheque gerekend, niet op een koffer met bankbiljetten. Maar goed, wij kregen ons geld, zij hun brandstof. Dat was mijn “welkom in Afrika”. José Alberto bevestigt dat ook hij altijd contant wordt betaald. Ik vroeg of hij beroemd was en wat hij precies deed. “Ja”, antwoordde hij bescheiden en begon te fluiten als een kanarie. “Zo verdien ik mijn geld”, lachte hij ontspannen. Dit was beslist geen fluitje van een cent, maar een miljonairsfluitje. Ik was lichtelijk jaloers.

wordt vervolgd