|
KAAPSE KRONIEK - 31 (23032008) Zaterdag, 1 maart 2008. Het waarom kan ik niet goed uitleggen, maar de Breedekloof blijft trekken. De rust en de ruimte van het platteland? Wie weet. Mijn logee, die op doorreis is naar Buenos Aires, kan mooi een stukje Zuid-Afrika bewonderen dat meestal voor de gemiddelde toerist verborgen blijft. Gisteravond waren we uitgenodigd voor het diner bij vrienden van vrienden. Die hebben even buiten Rawsonville een “plaas” die prachtig tussen de wijngaarden en niet al te hoge bergruggen ligt. Een genoeglijke avond, Afrikaans, Nederlands en Engels. In de keuken staat op een schoolbord de mooie bijbeltekst uit 1 Corintiërs 13, die me nadrukkerlijk aan mijn Calvinistische opvoeding herinnert. Jeetje, Nederlanders en Afrikaners hebben toch veel meer gemeen dan we in het vaderland tijdens en sinds de apartheidsjaren willen toegeven. Een vroege ochtendwandeling door de wijngaarden naar de Holslootrivier. Rijpe trossen hanepootdruiven hangen aan de ranken, de emmers voor de naderende pluk staan klaar. De honden die we uitlaten eten gretig van de sappige vruchten. Het rivierbed is bezaaid met grote door de stroom glad geslepen keien die het op blote voeten naar het water lopen onmogelijk maken, laat staan zwemmen. De lage waterstand, het is hartje zomer, verhindert dat laatste overigens so wie so. Na de wandeling ontbijten we boven de snel stromende beek die door de voortuin loopt voordat we via een bewust gekozen flinke omweg teruggaan naar Kaapstad. Eerste stop: een stukje verderop bij het familiekerkhofje van de Du Toits. Althans dat is de meest voorkomende naam op de zerken. Het ligt er onverzorgd bij, misschien is de familie inmiddels weggetrokken. De meer recente grafstenen zijn zeer toepasselijk gedecoreerd met wijnranken. Op de oudere staan staan bijbelteksten, zoals het nazaten van de Hugenoten betaamt. In Lambaréné, jawel het dorp in Gabon waar Dr. Albert Schweitzer zijn wereldberoemde leprozenkolonie bestierde, was ik tegen het eind van de jaren tachtig van de vorige eeuw eens genood bij een collega. De eerste 100 kilometer vanuit Libreville waren redelijk goed te doen. De enige Route Nationale van het land was op dat deel tenminste geasfalteerd. Een smalle tweebaansweg, veel gaten, dat wel, helaas begon daarna de “piste”, een stoffige weg door het regenwoud. Af en toe diepe kuilen, hier en daar modder, overal rode stof. Weken later zat er nog een rode kleur aan de wattenstaafjes waarmee ik mijn oren schoonmaakte. Het stadsdeel waar het familiehuis stond heette, dat zal ik nooit zal vergeten, Lalala. Het huis lag hoog op een heuvel. Na het welkom zei Papa dat we nu eerst “Maman” moesten gaan begroeten. We stapten het huis weer uit en gingen naar een klein bijgebouwtje waarin Maman lag begraven. Nooit eerder meegemaakt, maar toch met een stalen gezicht geacteerd alsof het heel gewoon was. Sindsdien heb ik wat met begraafplaatsen aan huis. Die van de Du Toits in de Breedekloof sluit bovendien naadloos aan bij een aantal scènes uit het boek “Zandkastelen” van de Zuid-Afrikaanse schrijver André Brink dat ik kort geleden las. Van de doden niets dan goeds, zeker vandaag niet. Tweede stop: de Daschbosch wijnkelder, opnieuw wat verderop langs dezelfde weg. Op koffietijd wijn proeven. Moet toch kunnen? Ik koop sauvignon blanc, de logee dessertwijn om mee terug te nemen naar Buenos Aires. Relaxte sfeer, stukken meer ontspannen dan het commerciële wijnproeven in Stellenbosch, Paarl of Franschhoek aan de andere kant van de bergrug. Daar moet eerst worden betaald voordat er mondjesmaat mag worden geproefd. In de Breedekloof geen gezeur, er wordt gewoon een flinke slok geschonken en, beslist niet uit beleefdheid, aangedrongen dat je ook de andere wijnen van het huis probeert. Ach wat doe je in zo’n geval, je wilt die mensen toch niet voor het hoofd stoten? Richting Worcester en vandaar naar Villiersdorp. Derde stop: het begraafplaatsje van de familie Naudé, dat er ook al zo verwaarloosd bij ligt. Wat jammer nou. Vierde stop: een stalletje voor de poort van de “Stettyn Wingerde” waar druiven worden verkocht. Ze worden ons aanbevolen door een andere klant. De verkoper spreekt uitsluitend Afrikaans, zoals zovelen op het platteland. We kopen heerlijke witte druiven voor onderweg. Theewaters, rechtsaf richting Franschhoek. Vijfde stop: de Jan Joubertsgatbrug. “Hierdie brug is deur die Royal Engineers met behulp van soldate van die Royal African Corps gebou als deel van die eerste hardepad oor die Franschhoekberg. Dit is in 1825 voltooi en, afgesien van ’n nuwe blad, is dit een van die oudste bruê in die Republiek” staat op een gedenkplaat. Niet meer dan een tam beekje gevuld met helder water loopt onder de brug door, maar dat zal in de winter wellicht heel wat ontstuimiger zijn. Zesde stop: hoog boven Franschhoek om te genieten van het uizicht over het dorp en de vallei. Veel te mooi! Ons reisdoel is de buitenkant van Paarl. Onze gastvrouw van gisteravond vertelde dat de eigenaar van “Fairview”, het wijngoed waar ik al eens eerder was, het naastgelegen “Diamant” heeft gekocht en met het plan rondloopt om in de oude gebouwen een conferentieoord te vestigen. De gastvrouw loopt al jaren met hetzelfde idee rond en haar is voorgesteld dat dit wellicht iets is om samen te doen. Zij organiseert de conferenties, hij regelt de faciliteiten. Ben benieuwd. Lekker eten en drinken in het Goatshed restaurant, waarvan de muren zijn behangen met oude reclameborden en huishoudelijke artikelen. Daar zitten we dan onder het rode bord van “TREKKER – die lekker - KOFFIE”. Weer eens wat anders dan Douwe Egberts, Nescafé of “Koffie Hag Mag!”. In de winkel kopen we vers brood en geitenkaas en gaan vervolgens op huis aan. Twee uur later ontkurken we de eerste fles net gekochte en in razend tempo gekoelde sauvignon blanc. Het leven is goed aan de voet van de Tafelberg. wordt vervolgd |