|
KAAPSE KRONIEK - 32 (28032008) Dinsdag, 4 maart 2008. Mama Africa heet het restaurant vlakbij huis in de Langstraat. Mijn logee wil op haar laatste avond in Kaapstad op pad en al doende belanden we bij Mama. Er is alleen nog een tafel in het rokersdeel, gelukkig roken steeds minder mensen. En .... er is vanavond muziek, een band uit de DRC. “Dat kost 10 Rand per persoon extra”. Eén enkele Euro, daarover maken we ons niet al te druk. De bediening meldt dat ze leuke Caribische muziek spelen. Spontaan ebt mijn aanvankelijke enthousiasme weg. We bestellen, de band begint te spelen. Wat een afknapper! Lusteloze reggea, Bob Marley covers en zo, terwijl ik op Papa Wemba rekende of desnoods of Pepe Kalé. Opzwepende ritmes, gillende akoestische gitaren die worden afgewisseld door harmonisch gezang in het Lingala. De springbokbiefstuk kan er mee door, de muziek is zwaar balen. Er zit niets anders op dan één van de muzikanten aan te spreken. Een toerist, ogenschijnlijk, die echte Zaïrese muziek wil horen is niet erg alledaags. Zo te zien vinden de meeste bezoekers – echte toeristen dus – reggea juist heel erg Afrikaans. De onbenullen. De band speelt speciaal voor mij een willekeurig dertien in een dozijn Congolees nummer. Pauze. We eten af. De jongens van de band staan op de stoep te roken. We kletsen wat, ik beklaag me over hun repertoire. Eerst zeggen ze pas na 11 uur Zaïrese deuntjes te mogen spelen. Na in het Frans te hebben uitgelegd dat ik morgenochtend al weer vroeg op mijn werk wordt verwacht en niet zo lang kan wachten, beloven ze na de interval een nummer te zullen doen. Niet het eerste, maar het tweede vervult mijn wens. Lekker ritme, mooie samenzang, tekst in het Lingala - de voertaal van hun vaderland. Mijn avond kan niet meer stuk. Totdat direct erna “La Bamba” wordt ingezet en de dansvloer zo maar weer tot leven komt. Zondag, 8 maart 2008. Voor de logee was op woensdag onverwacht geen plaats op het vliegtuig naar Buenos Aires. Volgens mijn collega’s is een vlucht met meer passagiers dan stoelen heel gewoon in Zuid-Afrika. Een paar uur nadat ze richting vliegveld was vertrokken, belde de portier van het gebouw waar ik woon om te waarschuwen dat er iemand op mij stond te wachten. Gelukkig werk ik niet verder dan vijf minuten wandelen van mijn appartement. Een geluk bij het ongeluk is dat ze nu iets meer van Kaapstad en omgeving kan zien. Deze keer blijven we dicht bij huis: een rondje om het Kaapse schiereiland, Kaap de Goede Hoop, de Kaappunt en zo, dat is voor mij ook al weer een paar maanden geleden. Het is zomers warm, de bloemen zijn uitgebloeid, het landschap is daardoor ietsje saaier. Na de klim naar het hoogste punt wandelen we naar Kaap Diaz, het iets lager gelegen meest zuidelijke punt. Onderweg een bunkerachtige uitkijkpost uit de Tweede Wereldoorlog, aan het einde van de Kaap nog een vuurtoren. De hoger gelegen toren was volkomen nutteloos gebleken door de vaak laaghangende bewolking, de in 1919 gebouwde lagere toren had daar geen last van. Al doende leert men. Eindelijk ook eens gelegenheid om een Portugese “padrão” van dichtbij te bekijken. Een immitatie van wat de Portugezen eeuwen geleden op de kusten bouwden die ze “ontdekten” om aan te geven dat dit nu Portugees en Christelijk gebied was. Dat laatste waarschijnlijk omdat ze van de Paus van Rome het recht hadden verworven om de tot dan onbekende wereld te ontdekken en in bezit te nemen. Er staat er een aan iedere kant van het smalle schiereiland, die eveneens als baken dienden om schepen veilig om deze Kaap der Stormen te loodsen. Terug langs de andere kant. Langs Simonsstad, de pinguïnkolonie bij de Boulders, Fishhoek en Kalkbaai. Er is zowaar een plaats vrij op het parkeerplaatsje van het Cape to Cuba Restaurant en de Che Bar. De veelbelovende website van het etablissement blijkt een veel te veel belovende site. Niet dat het er ongezellig uitziet of een lullige inrichting heeft, maar de aankondiging dat het een replica van het oude centrum van Havana zou zijn, is op zijn minst zwaar overdreven. Uiteraard veel foto’s van Che, houten heiligenbeelden, huisaltaren. Nou ja, Che wordt in sommige kringen verafgood, dus dat kan er mee door. In een winkeltje dat niet groter is dan een kiosk worden souvenirs verkocht. Blikjes “Revolutie” koffie en sigaren. ’t Klinkt vreemd, maar alles wat draagbaar is, is te koop in dit restaurant. De bediening van de bar gaat gekleed in een T-shirt met de beeldtenis van Che en heeft de beroemde baret met ster op het hoofd. Dat was wel eens anders in deze streken. Tijdens de apartsheidsjaren, zo is mij verzekerd, was het dragen van zo’n shirt met Che erop ten strengste verboden. Je kon er voor worden gearresteerd “wegens subversief gedrag”! De angst voor alles wat maar enigszins naar communisme riekte, zat erg diep in bij de regelneven van weleer. Het merk “Che” is zo populair, dat het concept van bar en restaurant als franchise wordt verkocht. Bij mij in de buurt zijn er de afgelopen maanden twee geopend. Nog iets verder werd een paar weken geleden een Cubaanse vlag en het portret van Che op de gevel van de nieuwe salsabar “¿Que pasa?” geschilderd. Een biertje en nog een biertje. We geven onze ogen goed de kost. Nee, mijn stamkroeg zal het niet worden. ‘s Avonds dineren we in het restaurant “Nyoni’s Kraal”, waar authentiek Afrikaanse schotels de specialité de la maison zouden zijn. Dat valt best mee, dus tegen. Nyoni, de eigenaar, adverteert het bedrijf als een soort sociaal project. Medewerkers in vaste dienst, zijn geen gewone werknemers, het zijn deelnemers aan een “empowerment” programma! Slimme kok! Dit is hét recept om geld uit de subsidiepot te krijgen. De sfeer is aangenaam, de bediening ietwat klunzig. De inrichting moet een Afrikaans plattelandsdorp suggereren, daar heb je echter een houtvuur of olielampen, geen fel elektrisch licht. Ik heb er een gloeiende hekel aan om in mijn eentje uit eten te gaan, dankzij de logee heb ik dus ontdekt dat als ik nooit bij Nyoni’s Kraal zou zijn gaan eten, ik niets zou hebben gemist. wordt vervolgd |