KAAPSE KRONIEK - 33 (03042008)

Zaterdag, 15 maart 2008. Was het niet Remco Campert die in zijn jonge jaren de verhalenbundel “Hoe ik mijn verjaardag vierde” publiceerde? Dit weekeinde vier ik mijn verjaardag met een uitstapje naar het Swartland en verhaal daarover. Nee, ’t is geen reis naar een buurland, Swartland is een streek op minder dan 100 kilometer ten noorden van Kaapstad. Veel wijngaarden en olijfgaarden. Aardig wat “wynkelders”, zoals wijnboerderijen hier heten, die hun wijnen aan kleinverbruikende en iets groter verbruikende passanten verkopen. Het nuttige met het aangename verenigen kost geen enkele moeite aan de zuidpunt van dit continent. Het “nuttige” in deze is het proeven en kopen van wijn. Een week geleden stond ik met de logee voor gesloten poorten, dat zal me niet nog eens overkomen. Door ervaring wijs geworden, weet ik nu dat in het Swartland zaterdagmiddag om twee uur de boel op slot gaat tot de volgende week. Swartlands wijs, Swartlands eer. Vroeg op pad derhalve. Via een route die een stuk gemakkelijker is dan die ik eerder nam. Kaapstad richting Paarl, vlak na het monstrueuze winkelcentrum Century City linksaf richting Malmesbury en daarna op de automatische piloot. Een afslag naar de raffinaderij, waarvan de beveiliging van de tankfarm overduidelijk dateert uit de apartheidsjaren. Prikkeldraad, een hoge betonnen muur met op regelmatige afstanden gepantserde wachttorens. Type “Berlijnse Muur light”. Aan het begin van deze eeuw zag ik diezelfde, inmiddels totaal overbodige, bouwsels in de buurt van Durban aan de andere kant van het land. Waarom worden die dingen niet gesloopt? Ik vind ze onnodig provocerend, ze houden de herinnering levend aan een tijd die de meeste mensen liever vergeten.

Klein-Vissershok staat op de wegwijzer naar een dorpje in de buurt van de N7, de weg van Kaapstad naar Namibië. Dat buurland ligt niet echt naast de deur. Van hier naar Springbok, nog steeds Zuid-Afrika, is meer dan 500 kilometer. Een heuvelachtig landschap met rechts aan de horizon de bergen. Landbouw, vooral landbouw en veeteelt, geen enkele industriële aktiviteit. Malmesbury is eigenlijk vlakbij. Het stadje heette ooit Zwartelandskerk, totdat Gouverneur Sir Lowry Cole het in 1829 naar zijn schoonvader vernoemde. De slijmbal. Het is gezellig druk in het centrum waar de winkels zijn. Vrijwel uitsluitend gekleurde medemensen op straat, de enige witte gezichten zijn van medeweggebruikers. Aan de buitenkant van het stadje, langs de weg naar Ceres, ligt de Swartland Wynkelder. Een in 1948 door wijnboeren uit de streek opgerichte coöperatie. Verdorie, de sauvignon blanc is uitverkocht, de chardonnay vind ik niet smaken. En dan ontdek ik tot mijn verrassing de rode shiraz malbec! Malbec, overal te koop in Argentinië, maar zelden er buiten. Het eerste doosje verdwijnt in de kofferbak. Een kwartier later rijd ik over de Bothmanskloofpas de Riebeekvallei binnen. Even na het hoogste punt - “de nek” op z’n Afrikaans, de top heet “koppie” - staat een klein gedenksteen voor Pieter Cruythoff diens “se ekspedisie oor hier die nek gereis” op 4 februari 1661. Hoewel zijn uitzicht ongetwijfeld even mooi was als dat van mij vandaag, zag hij ruig en niet gecultiveerd land terwijl ik goed geordende wijngaarden en landerijen zie. Kloovenburg heet het eerste wijngoed na de pas. De familie du Toit woont fraai en heeft een mooie, zij het wat oubollig ingerichte, kelder met een stapel lege wijnvaten langs de muur. Ik proef wat rood, ik proef wat wit en ga deze keer met een doosje sauvignon blanc de deur uit.

Het dorp Riebeek Kasteel en het “Vlock Kasteel” liggen een paar honderd meter verder. Het familiekasteel van Johan en Ansie Vlok bestaat uit een grote hal met een voorgevel die een kasteelmuur zou kunnen zijn voor hen met een buitenproportioneel voorstellingsvermogen. Stukken groter in ieder geval dan het mijne. Op hun boerderij Môrester - Morgenster - worden olijven, vele variëteiten druiven - tafel en wijn - en fruit verbouwd. Binnen staan lange tafels met de produkten die er worden geproduceerd. Veel olijfolie, vele soorten olijven, verassend weinig wijn. Konfyt - confiture, blatjang - chutney, dukha - tapenade, rozijnen, augurken. En dan opeens beelden uit mijn kinderjaren: potjes boerenjongens en boerenmeisjes. Op de verjaardagen van mijn grootouders lepelden de verzamelde tantes boerenjongens, rozijntjes in brandewijn, uit kleine glaasjes. De boerenmeisjes zijn appelkose - abrikozen op brandewijn en dan zijn er Kaapsejongens - druifjes op brandewijn. Ansie, die voedselkunde heeft gestudeerd, vertelt me dat ze dit lekkers “dankzij de recepten van onze Hollandse voorouders” maakt. Ik proef olijven, boerenjongens en Kaapsemeisjes en tenslotte wat rode en witte wijn. Erg drinkbaar en spotgoedkoop. Tijdens het afrekenen van een een doosje sauvignon blanc, vertel ik van plan te zijn om in het dorp te overnachten. Zij vermoedt dat dat in het traditionele Royal Hotel zal zijn, één van de oudste hotels in de vallei. Niet dus. Op het internet ben ik een gek alternatief met de aparte naam “The Cape Francolin Art Hotel” tegengekomen. Zo niet beter, in ieder geval avontuurlijker. Ansies gezicht betrekt. “Is er iets mis met dat hotel?” informeer ik. Ze vindt mijn keuze overduidelijk een ernstige vergissing, maar zegt zuinigjes dat ze het daar liever niet over heeft. Een lichte twijfel overvalt me. Als ik even later de poort uitrijd, zie ik dat het hotel - een voormalige boerenwoning - naast het wijngoed is gelegen. Eerst de buurt maar eens gaan verkennen. Na Riebeek Kasteel, volgt Riebeek West. Overal wijngaarden, een afslag naar Gouda, een cementfabriek met op het terrein het geboortehuis van Generaal Smuts, het wijngoed Allesverloren. Midden in Riebeek West een uithangbord voor “Chicks to Go”, meisjes om mee te nemen. Het dorpsbordeel? Nee, een snackbar die is gespecialiseerd in kippenboutjes. Ik neem de weg naar Gouda. Op zoek naar, ja op zoek naar wat eigenlijk? Kaarsen, kaas, een mooi middeleeuws stadhuis, een grote markt?

wordt vervolgd