KAAPSE KRONIEK - 34 (07042008)

Zaterdag, 15 maart 2008. Richting Gouda. De Kasteelberg in de rug, de Elandskloofbergen en de Witsenbergen aan de overkant van de brede vallei. Even buiten de bebouwde kom houdt het asfalt op. Teruggaan? Heb even niet opgelet hoeveel kilometer het is. De weg is droog - en dus stoffig - en het oppervlak is redelijk egaal. Zolang ik geen kuilen, modderpoelen of plassen water tegenkom is er niets aan de hand. Af en toe een boerderij. De akkers zien er buitengewoon dor uit. De oogst is echter al binnen, de herfst begint over een week. Een smalle brug - type Bailey - over een droge rivier. Na een minuut of twintig bereik ik de geasfalteerde weg van Gouda naar Porterville. Volgens de richtingaanwijzer op de kruising kom van ik van Gelukwaarts en kan rechtdoor rijden naar de Pont. Toch maar linksaf. In Porterville valt echter helemaal niets te beleven en, tot overmaat van ramp is de coöperatieve wijnkelder al gesloten. 38 Kilometer terug naar Gouda. Rond de Kerstdagen stonden flinke annonces in de krant voor de “Gouda Kersfeesveiling”. “Een belevenis” volgens een collega, hoewel de advertenties niets zeiden over wat er dan wel geveild zou worden. Het dorp nadert. Links GOUDA (SUID), rechts GOUDA (NOORD). Beide stellen niets voor. “Suid” is de woonwijk met armoedige huizen, “Noord” het dorpscentrum met meer van hetzelfde. Een winkel met de veelzeggende naam “Poor Man’s Shop” karakteriseert het dorp zo’n beetje. Dit Gouda heeft geen kaasmarkt, geen kaarsen, geen Grote Markt, geen Grote Kerk en geen mooi Renaissance stadhuis. Het heeft helemaal niets te bieden aan de passant die stom genoeg is het dorp in te rijden in plaats van het te negeren. Dit zal me niet nog eens overkomen.

Via Hermon, een ander vliegenpoepje op de landkaart, terug naar Riebeek West. Zou Allesverloren nog open zijn? Volgens eigen zeggen de oudste - anno 1704 - wijnboerderij van het Swartland. Hoewel er uitsluitend rode wijnen worden gemaakt, Zuid-Afrikaans rood streelt mijn tong niet echt, vind ik het verhaal over hoe de boerderij aan haar naam komt zo aardig. Toen de eerste eigenaren eens terugkwamen van het inkopen doen in Stellenbosch - driehonderd jaar geleden een reis van ruim een week - was de boerderij geplunderd en in de as gelegd. Alles was verloren. Het proeflokaal is gesloten, in het naastgelegen restaurant de “Pleasant Pheasant” is het gezellig zaterdagmiddags druk. Het terras op de voorstoep ligt in de schaduw en vandaar is er een prachtig uitzicht over de Riebeekvallei. De ideale plek voor een late lunch. Wat me wordt voorgeschoteld, is de beste struisvogelbiefstuk in pepersaus die ik tot nu toe in Kaapstad en omgeving heb gegeten én precies goed gekoelde sauvignin blanc uit het dorp. De dag kan bijna niet meer stuk. De uitbater van het restaurant is aan het begin van de jaren vijftig van de vorige eeuw met zijn ouders vanuit Nederland naar Zuid-Afrika geëmigreerd. Niet de eerste voormalige landgenoot en niet de laatste die ik zal tegenkomen. Zouden zijn ouders zijn aangemoedigd door een van de boeken die ik kort geleden heb gelezen? “Groeten uit Zuid-Afrika” van Go Verburg en “Een Hollandse familie in zonnig Zuid-Afrika” van H. Bloem. Boeken die waren bedoeld om Nederlanders aan te moedigen te emigreren en vandaag de dag politiek 200% incorrect zijn. Na de Tweede Wereldoorlog was er weinig voor nodig om door vijf jaar Duitse bezetting verarmde mensen lekker te maken met mooie verhalen van hoe goed het leven elders was. Vijftig, zestig jaar later, met 24 uur satelliettelevisie die er voor zorgt dat iedereen waar ook ter wereld op de hoogste is van wat er elders op aarde gebeurt, zou zoiets met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet meer mogelijk zijn. Gelukkig maar.

Hoogste tijd om poolshoogte te gaan nemen bij mijn hotel. Tijdens het rijden, eten en drinken, heb ik besloten me niets aan te trekken van de negatieve woorden van Ansie van het Vlock Casteel. Uiteindelijk verkoopt het hotel zichzelf met de tekst: “Het Cape Francolin Art Hotel is een plaatsgebonden installatie van conceptuele kunst, waarvoor allerhande materialen werden toegepast. Het is eveneens een comfortafabele logeerplek met knisperend Iers beddengoed, geurige olijfoliezeep, zelfgebakken walnoot en olijfbrood en een smakelijk ontbijt. Het is daarnaast een galerie, een winkel, een performance, een atelier, af en toe een restaurant en ........ wat je ook maar wilt dat het is”. Onweerstaanbaar toch? Het ontvangstcomité bestaat uit de eigenaren David en Clive Bellamy. Terwijl ik, eerlijk gezegd, dacht een gezellig of misschien wel zwoel vriendenpaar te zullen treffen, blijken het David en zijn hond Clive te zijn. Drie kamers slechts heeft het hotel, ik ben de enige gast en mag kiezen waar ik wil slapen. Hoewel mijn voorkeur vanzelfsprekend uitgaat naar de kamer voor “de schrijver in residence” kies ik uiteindelijk voor die van de “kunstenaar in residence” de enige waar mijn laptop kan worden aangesloten. Er volgt een rondleiding door de tuin en de in 1880 gebouwde elegante Victoriaanse boerenbehuizing. Het is een tot het uiterste doorgevoerde ode aan de afvalkunst. Een kunstvorm die ik in Buenos Aires heb leren waarderen en die ik zeer inspirerend vind. Alles, maar dan ook alles in en rond het huis zou van de schroothoop, uit de textielcontainer of de glasbak afkomstig kunnen zijn. Zou David een “morgenster” zijn? Iemand die op de dagen dat grof vuil wordt opgehaald voor dag en dauw op pad gaat om de straten af te schuimen op zoek naar wat als “waardeloos” buiten is gezet, maar een grote waarde heeft in de ogen van anderen? Overal op het erf, in de tuin, op de stoepen, in het voormalige bediendenverblijf staat tot leven gewekt oud ijzer. Zoals de windwijzers - lug instrumente - van Andrew Lord. Spades, rieken en koekenpannen balancerend op hoge ijzeren stangen die lui bewegen op ieder zuchtje wind. Een verassende confrontatie met de schoonheid van schroot.

wordt vervolgd