|
KAAPSE KRONIEK - 39 (30042008) Zaterdag, 29 maart 2008. Terug in Kaapstad na een week in Johannesburg. Lange werkdagen zonder veel van de stad te zien. Vliegveld, kantoor, hotel, kantoor, hotel, kantoor en uiteindelijk terug naar het vliegveld. Een vliegveld dat een reputatie heeft hoog te houden wat betreft het verdwijnen van bagage. “Affirmative shopping” wordt het door Evita Bezuidenhout genoemd. De lokale variant op het proletarische winkelen – boodschappen doen zonder te betalen. In de gewone wereld heet zoiets gewoon “stelen” of “jatten”. Op één collega na hebben we uitsluitend handbage bij ons, degene die haar koffer heeft ingecheckt, heeft geluk dat het slot daarvan taaier is dan de schroevendraaiers van het haastig winkelende publiek in de bagageruimte. Een andere collega informeert tevergeefs naar de koffer die hij op een eerdere reis is kwijt geraakt. Iedere ochtend en iedere avond rijden we van en naar het hotel in Sandton en de kantoorcampus in Bryanstown. Door de droomwereld waarin geen enkele vorm van armoede is te bekennen, slechts welvaart. Zowel op, als langs de weg. ’s Avonds dineren we in de buurt van het hotel. Jawel het Hilton. Naar de restaurants aan de overkant van de weg wandelen is, volgens goed bedoeld zeggen, nog net te doen. Te voet verder weg is veel te gevaarlijk. Het enige gevaar dat ik kan ontdekken zijn de bloedmooie jonge prostituees. Allemaal zwart, allemaal tot in de puntjes gekleed en perfect opgemaakt. Voor ietsje verder weg, is het beter om een taxi te nemen. Aldus komen we op een avond op Mandela Square terecht. Een luxe “food court”, waar we in de schaduw van een enorm standbeeld van de nationale verzoeningsicoon dineren. Een dag later, de verkiezingen in Zimbabwe zijn aanstaande, schreeuwen de krantenkoppen “It’s time to go Bob”. President Robert Mugabe heet hier “Bob” of “Uncle Bob”, zoals Zimbawe kortweg “Zim” wordt genoemd. Op vrijdagmiddag staat het verkeer op de uitvalsweg naar het vliegveld muurvast. De chauffeur van ons busje neemt een sluiproute door Alexandria, oftewel Alex zoals het woonoord in de volksmond heet. Daar rijden we dan in onze luxe cabine door de sloppenwijk waar het leven van alledag gewoon doorgaat. Dicht op elkaar gebouwde huisjes, geen groen, geen asfalt. Een enorme begraafplaats, chemische toiletten – dus gen riolering - aan de overkant van de smalle weg zonder afalt en vol met kuilen. Wel veel televisieantennes op de lage daken van golflaat. De vraag van een bekakt Engels sprekende medepassagier of er hier elektriciteit is, lijkt derhalve te getuigen van een gering observatievermogen. De sluiptroute werkt, we arriveren keurig op tijd op het vliegveld, doch de vluchten zijn – zoals te doen gebruikelijk - vrijdagavonds vertraagd. Zondag, 30 maart 2008. Na de vermoeiende week in Johannesburg heb ik geen zin om in de auto te stappen. Het is bovendien veel te warm. Ik wandel langs de Waterkant en door de Cape Quaters. Een trapje op, een oude moskee die in het niets aan het verdwijnen is door de oprukkende nieuwbouw. Aan de overkant de Bo-Kaap. ’t Blijft een aparte wijk. Steil klimmende straatjes met een wegdek van kasseien, veel moskeeën, huizen met in pasteltinten geverfde gevels. Al dolend kom ik onbedoeld bij Tana Baru terecht, de oudste moslimbegraafplaats van Kaapstad. Vanaf mijn werkplek kijk ik uit op een geel gebouwtje met een ster op het dak, dat op een vooruitstekende rotspunt is gebouwd. Eind vorig jaar dacht ik nog dat het een kerstster was, vandaag zie ik wat het echt is. Het is een “karamat” een islamitische schrijn. Abdulrahim zit bij de poort zijn koran te lezen. Uiteraard mag ik rondkijken. “Waar kom je vandaan?”. Op mijn antwoord reageert hij met “Dat dacht ik al. Bijna alle buitenlandse bezoekers komen uit Nederland, Duitsland of Frankrijk”. Zes jaar geleden heeft de gepensioeneerde vrachtwagenchauffeur uit eigen beweging het onderhoud van de begraafplaats op zich genomen. “Mensen uit de Bo-Kaap hadden beloofd om mij 500 Rand per maand te betalen”, vertelt hij, “ik heb nog nooit een cent gezien”. “Maar”, zo gaat hij verder “het gaat niet om geld, ik doe het uit overtuiging”. Zo mag ik het graag horen. Hij adviseert om het heiligdom op mijn gemak van binnen te bekijken. “Er staan zachte banken, rust even uit”. Binnen is het inderdaad koel én sober. Zacht groen licht, een tombe die is bedekt met een rood kleed. Een soort grafsteen aan het hoofdeinde, aan het voeteneind een handgeschreven oproep op een stuk karton: “Broeders en zusters, geef een plant of iets anders voor het onderhoud. Allah zal jullie tienvoudig belonen“. Foto’s van heilige plaatsen aan de muur: de Masjid al-Haram in Mekka en de al-Aqsa moskee in Jeruzalem. Er is een tweede karamat, die van Iman Abdullah ibn Abdus Salaam die in de buurt Tuan Guro werd genoemd. Op zijn tombe liggen brokken, zo vermoed ik, van oude grafstenen met fragmenten van een korantekst. De dodenakker zelf ligt er, ondanks de zorg van Abdulrahim, toch ietwat onverzorgd bij. Boven het lage gras en de bloemen steken grijze zerken uit. Ergens daartussen ligt Saartjie van de Kaap begraven, de vrouw die de grond schonk om de Auwal moskee te bouwen, de oudste van de stad. Tijdens de afdaling terug naar huis ontmoet ik een oude man die op de voorstoep van een huis zit. Hij heeft een militair aandoende pet op zijn hoofd, het is echter een pet van de spoorwegen. Abraham Baaitjies heet hij, geboren 1944 in Knijsna. Hij moet nog 64 worden en ziet er uit als diep in de 70! Abraham woont bij zijn zuster en wacht op de toekenning van zijn pensioen. “Mag ik foto van je maken?”, vraag ik.“Heb je dan een paar centen voor me?”, luidt zijn wedervraag. Nadat ik bevestigend heb geantwoord, mag het. In de weken daarna zie ik hem regelmatig door de buurt scharrelen. Pet op het hoofd, slecht ter been. Als het pensioen niet rap afkomt, is het niet meer nodig. wordt vervolgd |