|
KAAPSE KRONIEK - 40 (04052008) Zondag, 30 maart 2008. De man met krukken die tegen een muur tegenover de ingang van de Saint Stephanskerk staat geleund, begroet me met een vriendelijk “Goede môre dominee”. Hoewel ik geen beroepsgelovige ben en zeker niet zo gekleed ga, laat ik het maar zo en groet terug. De kerkdienst is net afgelopen. Voorlopig de laatste godsdienstoefening op de zondagmorgen, want binnenkort wordt met de restauratie van de kerk begonnen. De man die me zojuist groette, is vast een van de thuislozen die hier altijd rondhangen. In de catacomben van het gebouw is een ontvangstcentrum voor thuislozen die hun eigen kostje verdienen door de straten van het centrum schoon te houden. Ze zijn eenvoudig te herkennen aan hun gele hesjes met het opschrift “JEZUS REDT”. Bijna net zo kleurrijk als de geschiedenis van deze kerk, die in 1801 begon als “the African Theatre”. Hoewel aanvankelijk toegankelijk voor alle rassen, mocht na 1829 nog slechts blank publiek naar binnen. Na de afschaffing van de slavernij, werd het in 1838 een school voor de kinderen van de bevrijde slaven die aan de overkant van de Buitengracht in de Bo-Kaap woonden. Tenslotte werd het gebouw in 1843 tot kerk gewijd en vernoemd naar Sint Stefanus, volgens overlevering tweeduizend jaar geleden de eerste christelijke martelaar. Eigenlijk is de kerk een verre voorloper van de nieuwerwetse evangelische kerken die overal ter wereld bioscopen opkopen en die vervolgens omtoveren tot tempels of wat dies meer zij. Een in een theater gevestigde kerk is zo’n beetje het bewijs uit het ongerijmde dat er niet veel verschil tussen beide bestaat. Zo’n grote zaal gevuld met een redelijk passief publiek, dat ingetogen dan wel uitbundig geniet van wat er van het podium dan wel van de kansel wordt verkondigd. Van de voorstelling dus. Vlakbij huis wordt mij voor de zoveelste keer om financiële steun gevraagd “ik vraag je echt niet om geld hoor” zegt een jonge vrouw. Dus wel. De man in het gele poloshirt die al uren op de hoek staat, fluistert me “marihuana?” toe. In de straat waar ik woon zitten aardig wat hostels voor rugzaktoeristen, vandaar dat de handel waarschijnlijk bloeit. “Vandaag even niet” antwoord ik hem. Hij kan er wel om lachen. Zaterdag, 5 april 2008. Langs St. George’s Mall wordt iedere zaterdagochtend vol overgave gemusiceerd. Als ik ’s ochtends vroeg naar de supermarkt loop, staat op de hoek van de Strandstraat de “vaste” folkloristische groep al te drummen, zingen en dansen met de overgave en energie die je voor tienen mag verwachten, maar zelden ziet. Tegen een winkelpui staat een blinde vrouw met haar dochter redelijk vals, doch vol overgave, psalmen te zingen. Een accordeon spelende vader met zijn fanatiek trommelende zoontje zitten wekelijks voor de ingang van de van de voetgangerstunnel en mini-koopgoot naar het station. Het herinnert in de verte aan de perico ripiao uit de Dominicaanse Republiek. De gehandicapte zanger die zichzelf op de gitaar begeleidt, heeft zijn geldbakje met een touwtje aan de poten van zijn stoeltje vastgebonden. Ongetwijfeld door ervaring wijs geworden. Als ik met de boodschappen in de hand weer naar buiten kom, staat er nieuwe concurrentie op de hoek van de Kasteelstraat te zingen. De in blauwe windjacks geklede groep begeleidt zichzelf door ritmisch in de handen te klappen. Dat is meer dan voldoende, hun stemmen doen de rest. Prachtige meerstemmige koorzang in een taal die ik niet versta, maar die me onverwacht bij de keel grijpt. Snel de boodschappen naar huis brengen en mijn fototoestel halen, dit moet ik vastleggen. Zo gezegd, zo gedaan om daarna te ontdekken dat ze zijn verdwenen! Zwaar teleurgesteld loop ik St. George’s af, maar hoor niets en zie niets. Ze kunnen toch niet in het niets zijn ogelost? In de Adderleystraat hoor ik hun koorzang weer, ze staan uit de wind om de hoek van de Langmarkstraat, daar hebben ze het rijk alleen. “New Teenagers Gospel Choir” is het vaandel waaronder de zestien zangers en zangeresen optreden. Om beurten komen ze naar voren en zingen de solo’s, de danspassen zijn goed ingestudeerd, hoewel ik weet dat het hun in het bloed zit en als vanzelf gaat. Het gezang gaat niet alleen eindeloos door, het is ook eindeloos. Zondag, 6 april 2008. Dit weekeinde had ik in Tulbagh willen doorbrengen, in Rijk’s Country Hotel. Helaas volgeboekt vanwege een festival. “Volgend weekeinde misschien?” Weer ving ik bot. Het op een wijngoed gelegen in een statig landhuis gevestigd hotel zal worden verbouwd en pas in september weer open gaan. Er zit niets anders op dan een lange autorit van een dag te maken in plaats van een weekeinde in de streek rond te hangen. De kleur van de landerijen langs de N7 zijn in een paar weken tijd van groen in caramel veranderd. Er is overal gehooid, opeens lopen er overal koeien en schapen. Afslag naar Malmesbury, het Swartland in op zoek naar het zendingsdorp Saron. Over Saron heb ik een apart verhaal gelezen dat tot een toneelstuk is bewerkt. “Die Swart Bank” heet het en verhaalt hoe in de 19e eeuw de kerkelijke tucht werd gehandhaafd onder hen die zich kort daarvoor tot het Christendom hadden bekeerd, maar wat moeite met de regels hadden. Aanvankelijk werden “zondaars” naar de achterste banken van de kerk verbannen, doch er moest een voorbeeld worden gesteld om te voorkomen dat nog meer schapen van de kudde zouden verdwalen. Aldus vond de inventieve zendeling de “swart bank” uit, die ook wel “schaambank” werd genoemd. Die bank, volgens de overlevering gemaakt van zwart ebbenhout, stond vol in het zicht van de gemeente. Of er daardoor in Saron minder werd gezondigd, vermeldt de historie jammer genoeg niet. Het regent bakken uit de hemel, najaarsbuien. Vlak na de afslag naar Saron staat een waarschuwingsbord: “PASOP VIR LOSLOPENDE DIERE”. De kudde is kennenlijk nog immer niet bereid om uitsluitend op de daartoe voorbestemde weides te grazen. wordt vervolgd |