KAAPSE KRONIEK - 47 (11062008)

Zondag, 25 mei 2008. Mijn “bedevaart” naar voormalige zendingsposten gaat vandaag naar Elim. Het dorp is een van iedereen, maar dus niet van God verlaten, oord én er wordt gediscrimineerd. Als je geen lidmaat bent van de Moravische Kerk, mag je er niet wonen, zo wordt mij verzekerd door een collega. Haar grootmoeder is er geboren, trouwde met een “Anglican” en moest vertrekken. Om Elim te vinden, moet je bovendien enig doorzettingsvermogen hebben, want er rechtstreeks naartoe rijden is er niet bij. Het dorp ligt ergens achter Bredasdorp, vlakbij Kaap Agulhas, de zuidelijkste punt van Afrika. Op de R319, op minder dan 40 kilometer van die Kaap, is een afslag naar rechts naar Elim en Baardskeerdersbos. Een intrigerende naam, die mij als man met een bescheiden baard het ergste doet vrezen. Net zoals het waarschuwingsbord bij de dorpsgrens, dat er niet bepaald voor zorgt dat ik me hier welkom voel in de week dat duizenden buitenlanders Zuid-Afrika zijn uitgejaagd: ”Welkom in Elim. U betreedt nu het privé eigendom van de Moravische kerk. Personen die dit gebied betreden, zoals ambulante handelaren en hen die willen overnachten, worden verzocht zich bij het kantoor van de raad van toezicht of een van de toezichthouders te melden”. Puur in het dorp geïnteresseerde bezoekers zijn kennelijk zeldzaam of ongevaarlijk of mogen rondkijken zonder zich te melden.

De Moravische zending vestigde zich hier in 1824 met de aankoop van de boerderij “Vogelstruis”. Een jaar later werd die in “Elim” herdoopt, een naam die in het Bijbelboek Exodus is terug te vinden. Exodus, zo herinner ik me, gaat over de vlucht van de Israëlieten uit Egypte - alwaar ze slaven van de farao’s waren - inclusief de tocht dwars door de Rode Zee. Dat verhaal, dat door de juffouw van de Zondagsschool zo mooi werd verteld, vond ik in mijn jongensjaren buitengewoon spannend en later in mijn leven buitengewoon onwaarschijnlijk. In hoofdstuk 15, vers 17 staat “Daarna kwamen zij in Elim: daar waren twaalf waterbronnen en zeventig palmbomen en zij legerden zich daar aan het water”. Dat was in de woestijn aan de andere kant van de Rode Zee. Wat die zendelingen van weleer in deze zelfs vandaag de dag nog afgelegen en dunbevolkte streek hadden te zoeken, is mij niet helemaal duidelijk. Zoveel zieltjes waren er niet te winnen. In de schaarse analen las ik dat ze onmiddelijk met het planten van wijnstokken begonnen omdat “er wijn nodig was voor de viering van het Avondmaal”. Ja, ja zo ken ik er nog een paar. Vooral omdat het de lidmaten van de Moravische Kerk niet is toegestaan om alcoholische versnaperingen te nuttigen. Via een weg door de wijngaarden, dit is het meest zuidelijk gelegen wijngebied van het Afrikaanse continent, bereik ik het dorpscentrum.

Ondanks het waarschuwingsbord, wordt mij geen haarbreed in de weg gelegd. Het is lunchtijd, er is niemand op straat die dat kan doen. Elim bestaat uit niet meer dan één lange straat met arbeidershuisjes aan beide kanten en wat huizen en gebouwen rond de kerk. De meeste hebben een met riet gedekt dak, net een lange rij Engelse cottages. Voor een willekeurige passant zoals ik ziet het er best idyllisch uit. Tegenover de in het hart van het dorpje gelegen kerk staat het door een stevig hek omheinde monument dat de afschaffing van de slavernij in 1834 herdenkt. Het enige in Zuid-Afrika. Het mini obeliskje krijgt net een opknapbeurt, maar ziet er desondanks niet uit. En dat terwijl het een paar jaar geleden nog is gerestaureerd en daarna opnieuw onthuld. De verfemmer staat ernaast, net zoals de gedenkplaat van de tweede onthulling in 2004. Door het ietwat kwistige gebruik van de witkwast is de in de steen gehakte tekst “AANDENKING AAN DIE VRYLATING VAN SLAWE – 1 DES 1838 – OFFER DANK AAN GOD” slechts met moeite te lezen. De kerk zit op slot en de ramen zitten te hoog in de muur om naar binnen te kunnen kijken. En dat was het dan.

Zo rijd ik in een vloek en een zucht weer buiten de bebouwde kom waar de geasfalteerde weg prompt ophoudt. Toch maar doorzetten, het is zonnig, het is droog en het laatste wat ik wil is via dezelfde route terug naar Kaapstad rijden. Op naar Baardskeerdersbos en Gansbaai, want dat er ganzen in de buurt zijn, hoorde ik tijdens mijn korte wandeling door Elim. Hun gakken herkende ik onmiddelijk. Ooit woonde ik in de Hoeksche Waard aan de rand van het Oudeland van Stijen, waar jaarlijks duizenden ganzen overwinterden. Het lawaai dat ze dag en nacht maakten, zal ik nooit vergeten. De weg is erg stoffig. Landerijen, fijnbos, af en toe een boerderij in de verte. Eén daarvan heet “Mooi Uytzig” en beschrijft precies wat ik op datzelfde moment zie. Na een kilometer of 10 een groot meer, een afslag naar Napier dat dicht bij de grote weg ligt. Even proberen. Het slechte wegdek dwingt echter tot rechtsomkeert maken. Baardskeersbos is een gehucht waar de meeste van de weinige huizen te koop staan. Gansbaai stelt evenmin veel voor, een typisch kustdorp. Daarna is de weg naar Hermanus geasfalteerd. Oceaan links, bergen rechts, opnieuw mooie vergezichten. Hermanus is een geliefde badplaats die vooral bekend is door de walvissen - die vlak voor de kust paren en baren - en haaien. Je in een kooi in het water laten zakken om daarna door de haaien te worden bekeken en aangevallen, is een must voor de durvers. Bij collega’s die in er aan een team building cursus deelnamen, informeerde ik langs mijn neus weg of “de kooi” onderdeel van de cursus was geweest. “Hoezo?” “Omdat het me zo’n goede nabootsing lijkt van de omgeving waarin wij soms werken!” Dat verband hadden zij nog niet gelegd. Desondanks doe ik mijn werk met veel plezier!

wordt vervolgd