|
KAAPSE KRONIEK - 51 (04072008) Zaterdag, 7 juni 2008. Wat Zeist en Genadendal met elkaar te maken hebben? Meer dan ik ooit heb vermoed. Jawel, van de Hernhutters, de volgelingen van Johannes Hus, en de Broedergemeente heb ik lang geleden gehoord. Johannes Hus, hervormer van het eerste uur. Al protestant toen vrijwel iedereen in Europa katholiek was. Ruim voordat Maarten Luther, Johannes Calvijn, Ulrich Zwingli en John Knox op het reformatorische toneel verschenen. Lang voordat de beweging, die zich afzette tegen de leerstellingen van de “Kerk van Rome”, in een stroomversnelling raakte. Volgens goed katholiek gebruik in die tijd, werd de afvallige Hus tot de brandstapel veroordeeld en levend verbrand. Zelfs de Christelijke naastenliefde heeft zo haar grenzen. Tijdens het vak “Religie” op het Johannes Calvijnlyceum werd mij dit alles op een dusdanig degelijke manier onderwezen, dat het bijna een leven lang later zonder veel moeite uit mijn slapende geheugen kan worden opgehaald. De navolgers van Hus vormden een hechte geloofsgemeenschap waar zelfvoorziening essentieel was en waar iedereen, ongeacht sociale status of ras, gelijk was en nog steeds is. En ze hadden een enorme zendingsdrang. Die bracht hen naar Nederland omdat er destijds in Amsterdam werd ingescheept naar de zendingsgebieden. Rond 1750 bouwden de hernhutters in de omgeving van het Slot Zeist een “eigen dorp” waar zendelingen zich voorbereidden op hun uitzending. Naar onder andere Baviaanskloof, dat naderhand zou worden omgedoopt tot Genadendal. De “Broedersociëteit ter uitbreiding van het Evangelie onder de Heidenen”, beter bekend als het Zeister Zendingsgenootschap, werd in 1703 opgericht. Het was de voortzetting van de zo’n vijftig jaar eerder opgerichte “Amsterdamse Sociëteit”. Volgens de oprichtingsakte had de Broederschap als doel ”om het Evangelium van Jezus Christus, die vrolijke Boodschap onzes Heils, na vermogen door de gantse Wereld te bevorderen”. En dat gebeurt tot op de dag van vandaag. Zaal na zaal ontrolt zich de geschiedenis van de kolonie en de ontwikkeling van de – na een afwezigheid van bijna vijtig jaar - in 1792 nieuw leven ingeblazen zendingspost. De weerstand om de autochtone bevolking te ontwikkelen en een vak te leren was groot. Die waren immers door de Heer voorbestemd om goedkope hand- en spandiensten aan de blanke medemens te leveren? Het Moravische credo “voor jezelf zorgen” is op allerlei manieren in het dorp en in de collectie van het Zendingsmuseum terug te vinden. Te beginnen met het gebouw waarin ooit een lerarenopleiding was gevestigd. Kennis is macht, nietwaar? De watermolen, er staat er een in ieder zendingsdorp dat ik heb bezocht en nog zal bezoeken. Een drukkerij en een spinnerij. Eén van de zalen staat vol met gereedschappen die in een smederij werden gebruikt en/of gemaakt. Nooit eerder zag ik een “machine” om wagenwielen van spaken te voorzien, hier staat er een. Aan het plafond van de zaal, die verder vol staat met huisorgels in vele maten en soorten, hangt een collectie blaasinstrumenten. Kennelijk nogal belangrijk in de Moravische Kerk – de tekst van Psalm 150 “Loof die Here met basuingeklank” staat op de muziekstandaard van een orgel. Een horlogemakerij met een collage van zakhorloges - een teken van economische voorspoed? - een klaslokaal, een slaapkamer met hemelbed en een collectie badkuipen en pispotten: “Teen die draai van die eeu was yster- en bronskatels populêr. Huise het nie badkamers gehad nie en daar is in die slaapkamer gebad. In die koue wintersaande is selfs in die kombuis (keuken), veur die vuurherd, gebad. ’n Verskeidenheid van baddens het voorgekom”. Een woonkamer, het interieur van een dorpswinkel die vol staat met van die grote voorraadblikken uit grootmoeders tijd. Terwijl ik de verzamelde huishoudelijke voorwerpen sta te bekijken en de oude familiefoto’s die zijn verwerkt in een enorme stamboom waaruit blijkt dat vrijwel iedereen in het dorp aan elkaar verwant was, komt Isaac Balie - “één van mijn voorouders was een VOC slaaf afkomstig van het eiland Bali” - me gezelschap houden. Er zijn verder toch geen bezoekers. Hij vertelt hoe hij de verzameling, die in haar geheel tot cultureel erfgoed is verklaard, bij elkaar heeft gekregen. Huis aan huis heeft hij aangebeld, tot vanaf de kansel is er een oproep gedaan om dingen niet als oude rotzooi weg te gooien maar naar het museum te brengen. Het resultaat is een zeer authentiek museum met een unieke collectie die wellicht niet erg museaal verantwoord is, maar wel op een bijzondere manier de groei en bloei van Genadendal illustreert. Het plenst nog steeds. Balie stelt voor een kop koffie te gaan drinken in het informatiecentrum en de expositie aldaar te bekijken. De voordeur van het museum laat hij open staan, Genadendal moet een ouderwets veilig dorp zijn. Weinig “expositie”, wel veel tekst en uitleg op grootformaat vellen papier die tegen alle vier de wanden zijn geplakt. Educatief behang. Het thema is de geschiedenis van de Moravische Kerk. Te beginnen bij de Unitas Fratrum, de in 1457 onstane Broedergemeente. Johannes Hus, de reformatie in Europa, een overzichtskaart van de zendingsosten in Zuid-Afrika. De kleuren geven aan welk genootschap op welke plaats zieltjes probeerde te winnen. “Waar ben je al geweest?”, wil Isaac Balie weten. Als ik Saron noem, geloof ik dat hij zijn neus wat optrekt. “Dat was van het Rijnlandse Zendingsgenootschap”. Tot en met het geloof blijkt een bedrijfstak, waarin men niet vies is van enige concurrentie! wordt vervolgd |