|
KAAPSE KRONIEK - 70 (13102008) Zaterdag, 9 augustus 2008. Nog een week te gaan voordat de terugreis naar Buenos Aires moet worden aanvaard. De hoogste tijd om Signal Hill op te gaan om het afvuren van de “Noon Gun” bij te wonen. Dat gebeurt onafgebroken sinds 1806 om precies 12 uur ’s middags, behalve op zon- en feestdagen. Net als vele andere Kapenaren kijk ik vrijwel iedere dag even op mijn horloge als het kanon wordt afgevuurd. Vanuit mijn kantoor zie ik dan een pluimpje rook wegdrijven in de richting waarin de wind het dreef. Bovenop de 350 meter hoge heuvel staan twee kanonnen opgesteld. Eén daarvan zal worden afgevuurd, de andere staat “stand by” voor het geval er iets mis mocht gaan met het “kanon van dienst”. Een bord op de zijkant van het betonnen platform waarop de kanonnen staan, wordt de stand bijgehouden. Vandaag vuurt de Zuid-Afrikaanse marine de kanonnen voor de 63.614e keer af. De kanonnier van dienst geeft een korte uitleg over de traditie – een gelegenheid voor de in de Tafelbaai voor anker liggende schepen om hun klokken gelijk te zetten – en vertelt dat hij net als de bezoekers zal toekijken als het schot wordt afgevuurd. Het afvuurmechnisme van het kanon is verbonden met een klok in Londen die een paar seconden voor het middaguur een signaal verzendt dat het kanon precies op tijd bereikt om het schot af te doen gaan. In de schaduw van de Tafelberg heb je een mooi uitzicht over de baai, het Robbeneiland en vanuit de hoogte kan worden bekeken of de bouw van het Groenpuntstadion, dat speciaal voor het wereldkampioenschap voetbal van 2010 wordt gebouwd, wel opschiet. De kanonnier en de bezoekers staan op veilige afstand, je weet maar nooit. Vingers in de oren, er wordt afgeteld. Precies om 12 uur wordt vanuit Londen het kanon in Kaapstad afgevuurd. Het stelt weinig voor, maar ’t is wel leuk om te hebben meegemaakt. Dat de traditie nog lang in stand mag worden gehouden. Het is winter in Zuid-Afrika, ’t is kil in Kaapstad. In de krant staan tips hoe je de koude maanden het best kan doorkomen. Eén daarvan moedigt me aan nog even langs de slijterij te lopen, een informatieve advertentie met de kop: “Swartland se dessertwyne gee warmte aan die koue winter”. Het is echter de tekst op de achterkant van een andere fles waardoor ik spontaan door de knieën ga voor de Hanepoot Jerepigo van de Botha Wynkelder. “HANEPOOT JERIPIGO. Een volgeurige dessertwyn met ’n lewendige muskaataroma wat deurgevoer word tot op die talmende nasmaak. Die wyn is ’n uitstaande produk van die Breëriviervallei, tuiste vanwaar die legendariese Oom Koos Mosterdpotjie se gesogte soetwyne in die negentiende eeu hulle ontstaan gehad het. Oom Koos het met groot sorg die sondoordrenkte druiwe op beesvelle in die kelder laat afkoel voor gisting en kon roem op ’n gesogte toekenning wat hy in Parys, Frankryk verower het. Om hierdie roemryke epog in herinnering te bring werd ie beesvel, Oom Koos se historiese kelder, een bottel van sy wyn, en die geskiedkundige skild van erkenning uitgebeeld op die hoofdetiket. Dassie Smith, die befaamde wynmaker, bestee vandag nog dieselfde sorg en liefde aan hul produkte. Moderne keldertegnologie en oordeelkundige verbouingsmetodes weerspieël vandag in die kwaliteit van die wyn”. Prachtig toch zo’n tekst en lekker bovendien na een heerlijke struisvogelsteak. En inderdaad, de muskaat is te proeven tot in de langzame afdronk. Zondag, 10 augustus 2008. “Je moet in augustus terugkomen”, zo was me in juni aangeraden “dan staat de hele streek in bloei”. Mijn tegenwerping dat het dan midden in de winter zou zijn, werd lachend weggewuifd als de typische reactie van een onwetende buitenlander. En gelijk hadden ze. Een week of twee geleden reed ik kilometers lang over wegen met in bloei staande bermen, terwijl de afgelopen dagen vele krantenpagina’s waren gevuld met foto’s van en verhalen over de bloemenweelde in de Westkaap. Dat is de enorme provincie waarin Kaapstad ligt – stukken groter dan de Benelux - en waaruit, zo realiseer ik me nu, ik nog nimmer met de auto ben ontsnapt. Ooit wilde ik de weg via de bloemenroute – volgens de VVV althans – tussen Eendekuil en Redelinghuys terug naar huis rijden, stortregens verhinderden dat echter. Vandaag nodigt het stralende winterweer onweerstaanbaar uit om op pad te gaan. Na Piketberg de R365 richting Elandsbaai volgen, dan kan er niets fout gaan, volgens mijn minimalistische kaart althans. Aanvankelijk kleuren op afstand. Tegen de berghellingen opklimmende fel gele landerijen, net een schiderij. Aan de kant van de weg bescheiden witte lelies, die ik herken als Nymphoides Idica. Veel bijgeleerd het afgelopen jaar. Hier en daar de resten van een verlaten boerenwoning. Eendekuil linksaf, kort daarna houdt de geasfalteerde weg op en begint het “gruispad”. Tachtig kilometer verder zal het pas weer beginnen. Het ontbreken van enig ander verkeer geeft de gelegenheid om volop van de bloemenpracht te genieten. Geel, wit, goud, lila vechten om de aandacht. Dit is de Verlorenvlei, een uniek wetland dat op sterven na dood was geboerd en thans wordt gerehabiliteerd. Na Redelinghuys, weer zo’n piepklein dorp met een dominant grote kerk en een winkel aan huis waar lavendel wordt verkocht, gaat het gruispad verder. Enorme heidestruiken, blauwe bloemen, gele bloemen, oranje bloemen, lavendelvelden. En dan de ontdekking van de dag: ronde akkers die met een passer getrokken zouden kunnen zijn. Het geheim van zo’n rond perceel is eenvoudig te ontrafelen. In het midden is een put geslagen waarop de beregeningsinstallatie is aangesloten die rondjes draait en aldoende de vorm bepaalt. Er buiten groeit niets, dat tekent mooi af. O zo vanzelfsprekend als je er voor staat. Maar wie reist daarvoor nu naar de andere kant van de wereld? “Ik”, zei de gek. wordt vervolgd |