|
KAAPSE KRONIEK - 71 (17102008) Donderdag, 14 augustus 2008. Laatste avond in mijn appartement in Kaapstad. Als afscheidscadeau vertoont de kabelaar “Le Mandat – de Postwissel” geschreven en verfilmd door Sembène Ousmane. Ietwat gedateerd, maar een prachtige uit het leven gegrepen geschiedenis. Het woord “postwissel” alleen al bewijst de voltooid verleden tijd. Bestaan die dingen eigenlijk nog? Een arme familie in Dakar ontvangt een postwissel van een neef die in Parijs woont. Het gerucht erover geeft hen opeens weer krediet in hun arme buurt. In zijn beste gewaad gestoken, gaat de ontvanger de postwissel innen. Pech, daarvoor is een identiteitsbewijs nodig dat hij niet heeft. Op naar het politiebureau, waar hij krijgt te horen dat hij daarvoor een geboortebewijs moet overleggen. Naar de burgerlijke stand. “Wanneer ben je geboren?” “Vers 1900”. Ongeveer in 1900, iets dat ik herken uit eigen Afrikaanse ervaring tot en met een meningsverschil over het geboortejaar van mijn Nigeriaanse geliefde. “Welke maand?” Weet ie ook niet. Dankzij een “gestudeerd” familielid wordt alles via via met geld en goede woorden geregeld. Uiteindelijk kan het onding worden verzilverd. Ondertussen zijn de gemaakte schulden groter dan de waarde de postwissel, het is een waardeloos stukje papier geworden. Ik kan maar geen genoeg krijgen van dit soort lui voortkabbelende Afrikaanse verhalen. Zaterdag, 16 augustus 2008. Nog 24 uur te gaan in Kaapstad. Het appartement is teruggegeven aan de eigenaar, de auto is ingeleverd bij de verhuurder. Een laatste keer te voet door het oudste deel van de stad. Over de Parade, langs het stadhuis, via de Drill Hall en de Old Granary naar het District Six Museum. Veel monumenten worden opgeknapt, de stad moet er op haar voordeligst uitzien als het wereldkampioenschap voetballen over anderhalf jaar begint. De Parade is een groot plein dat is ingeklemd tussen het stadhuis, het oude postkantoor, het station en het Kasteel. Het is een populair marktplein en een centraal gelegen parkeerplaats voor dagelijks naar het stadscentrum forensende medeburgers. In februari 1990 stond er een uitzinnige menigte om zich vanaf het balkon van het stadhuis te laten toespreken door de zojuist vrijgelaten Nelson Mandela. Ik geloof dat het de Vlaamse schrijver Tom Lanoye was die er bij was en in de mêlee werd gerold. Zijn ervaringen van die dag, inclusief een vergeefse poging tot aangifte, beschreef hij luchthartig in een column in de NRC. De Drill Hall is kort geleden gerestaureerd en is nu een bibliotheek, de Old Granary – in het Afrikaans “die Graanskuur” – staat op het punt om in te storten. Er zijn plannen om het bijna 200 jaar oude gebouw te redden, maar zoals vrijwel overal ter wereld draaien de Kaapstadse ambtelijke molens in een versnelling die ruim onder de laagste ligt. En dat terwijl het door de befaamde architect Thibault werd ontworpen en een timpaan en andere gevelelementen van de beeldhouwer Anreith heeft. Even verderop is in een onrendabele kerk het District Six Museum gevestigd, waar de herinnering aan deze tijdens de apartheidsjaren gesloopte wijk levend wordt gehouden. In 1966 werd het aan de rand van het centrum gelegen District Six tot “blank gebied” verklaard. Vervolgens moest iedereen die niet aan die voorwaarde voldeed – het overgrote deel van de bewoners – oprotten. Naar de op flinke afstand gelegen Kaapse Vlakte. Die gedwongen volksverhuizing vond plaats tussen 1968 en 1982, waarna de bulldozers aan de slag gingen. Godshuizen werden gespaard en staan er tot op de dag van vandaag wat verloren bij op de kale plek aan de voet van de Duivelspiek. Een markante stille getuige van het onrecht van toen. Een vriendelijke ontvangst aan de kassa. “Als je vragen hebt, kun je bij Uncle Noor terecht”, adviseert de kassier terwijl hij wisselgeld en toegangsbewijs overhandigt. Met zijn hoofd knikt hij richting museumwinkel waar een middelbare man met islamitisch hoofddeksel achter de toonbank staat. De museumruimte is dus een wat oudere kerk: halverwege de vloer en het plafond een galerij langs de zijmuren en het koor tegen de achtermuur, een van kerkbanken bevrijde vloer, de kansel wordt aan het oog onttrokken door een installatie die bestaat uit door slopers geredde straatnaambordjes. Voordat Uncle Noor de bezoekers naar de op de vloer geplakte plattegrond van District Six noodt voor een rondleiding, blaas ik gezagsgetrouw uit op een oude stadsbank met het bordje “SLEGS BLANKES”. Het is een eenvoudig museum, zoals District Six een eenvoudige wijk was. Dat wordt heel mooi geïllustreerd door het simpele interieur van een nagebouwd eenkamerhuisje. Een petroliestel, een flitspuit, familiefoto’s, mooi verknipte kranten om de randjes van de keukenplanken op te sieren. De laatste keer dat ik zoiets zag was lang geleden in een plaggenhut in het Arnhemse Openluchtmuseum. Keurig nette armoede. Op de eerste verdieping een installatie van Roderick K. Sauls. Een in de tijd bevroren huisje uit de wijk. Daarbij is terecht veel gips gebruikt. Wordt dat spul ook niet gebruikt om andere wonden te helen? De stropdassen in de klerenkast, de sportprijzen op de schouw. Mooi verbeelde, doch vervagende beelden van het onderkomen van destijds. Zoals dat gaat met herinneringen. Kraakhelder echter zijn de familieportretten aan de muur en de uit een Bijbel of Koran gescheurde bladzijde waarop een kruis is getekend waarin het woord “SEGREGATION“ is geschreven. Het zal wel een bladzij uit een Bijbel zijn, want er zijn aardig wat beroepsgelovigen binnen de Nederduits Gereformeerde Kerk die er tot op de dag van vandaag van overtuigd zijn dat de apartheid vanuit theologisch oogpunt bezien zonder meer terecht was en is. epiloog volgt |