NIEUWE KAAPSE KRONIEKEN - 9 (28042009)

Goede Vrijdag, 10 april 2009. De Kogmanskloofpas is een met vast en zeker flink wat dynamiet geblazen gat in een niet al te dikke bergwand. Dankzij dat gat meandert de Route 62 verder door de uitgedroogde landstreek die nu bovendien de “Klein Karoo Wynroete” heet. Aan deze langgerekte, bijna 300 kilometer lange, wijnroute liggen slechts 17 wijnboerderijen die onder eigen label wijn aan de man brengen. Bij vrijwel allemaal is de tap toe op deze Goede Vrijdag, maar het beginnende wijnhuis Rietrivier, halverwege Montagu en Barrydale, is zowaar open! Ik ga vol op de rem staan om deze gelegenheid niet te missen. De druivenschillen van de vorige maand geperste druiven liggen op een grote hoop naast de loods waar de jonge wijn aan het gisten is. De geur van wijn in wording die er hangt, wekt een spontane dorst op. De Rietrivier Wynkelder – “gemagtig om wyn te verkoop of van die hand te sit” - heeft een erg klein assortiment: sauvignon blanc, rode muscatel en witte muscatel. Het toeval wil dat ik twee van de drie graag tot mij neem. Ze zijn zeer drinkbaar en zeer betaalbaar op de koop toe, maar hebben wel zo’n aan de tijdgeest aangepast politiek correct etiket met de afbeelding van een gestileerde rotstekening. Nou ja, zolang de inhoud smaakt, mag de verpakking smakeloos zijn.

Nog 100 kilometer naar Ladismith. Het in 1852 gestichtte stadje dat door de Britse Gouverneur naar zijn vrouw – Lady Jane Smith – werd vernoemd. Hij moet haast wel zeker een verschrikkelijk scheve schaats hebben gereden en had dus veel goed te maken. Zo vermoed ik tenminste, of zou Lady Jane echt zijn grote liefde zijn geweest? Aan de horizon verschijnen de Klein Swartberge en de aan de rand van de bebouwde kom van Ladismith gelegen stoere, stralend wit gekalkte kerk. Eerst benzine tanken, want de tankwagenchauffeurs zijn sinds vandaag in staking. Als de nood aan de man zou komen, is een volle tank genoeg om terug naar Kaapstad te kunnen rijden. “Albert Manor” heet het guesthouse waar ik heb gereserveerd. Het is gevestigd in een Victoriaans huis dat tijdens de eerste “struisvogelboom” werd gebouwd door mensen die het plots heel erg voor de wind ging. Het is lang niet zo imposant en protserig als Foster’s Folly in Oudtshoorn, waar ik vorig jaar eens logeerde. Maar dat is dan ook een echt “struivogelverenpaleis”. Allemaal te danken aan een modegril in Europa en Noord-Amerika, die na het begin van de Eerste Wereldoorlog zomaar voorgoed voorbij was. Rijk geworden door struisvogelveren op de dameshoeden van onder andere Coco Chanel en naar de gosjemijne geholpen door aan de lopende band geproduceerde auto’s van Henry Ford. Als ik het artikel in de zaterdagbijlage van mijn lijfblad moet geloven.

“Hallo, ik ben Barbara. Hoe heet hij?” Hoewel de gastvrouw van Alfred Manor op verzoek kookt, komt dat vandaag slecht uit omdat kinderen en kleinkinderen op bezoek zijn. Morgen dan maar. Er is een tafel voor mij gereserveerd in de Kanna Kombuis, een bevriend restaurant. Ik word verwacht, want als ik mijn naam noem, reageert de Barbara met “jij logeert in Alfred Manor, welkom”. Noodgedwongen ga ik voor zeven uur al aan tafel, want de inwoners van de Karoo gaan bijtijds naar bed. De keuken gaat om half negen dicht en het restaurant om negen uur. Geen minuut later, zo was ik gewaarschuwd. Zo blijkt maar weer eens dat het nog erger kan dan in Nederland, zij het dat dit Nergenshuizen is en niet een uit de krachten gegroeid Nederlands dorp dat zichzelf tot “wereldstad” heeft uitgeroepen. De kaart is wonderbaarlijk klein, geen stuisvogel, geen kudu, geen lamsvlees of rundvlees. “Ik wil echte Zuid-Afrikaanse gerechten eten!” zeg ik tegen Barbara. Met wat moeite lukt dat. Vooraf, alleen om de naam al, Skilpaadjie, hoofdgerecht Bobotie en een fles Viognier van de Ladismith Wynkelder, waar ik vanmiddag voor een gesloten deur stond. “Wil je een glas of een bottel (een fles)?” Als ik antwoord een glas of drie, vier te zullen drinken, roept Barbara enthousiast “dat wordt dus een bottel!” Met dat gemaakte enthousiame waar ik een enorme hekel aan heb.

Daar zit ik dan in mijn dooie eentje op het terras van een restaurant langs de R62. Aan de overkant een benzinestation, een winkel van Parmalat – die zijn toch failliet? – en de lokale wijnkelder. In het voortuintje, recht voor mijn neus, een wansmakelijk fonteintje met Roodkapje in het midden. De witte wijn is niet goed gekoeld, die moet in de koeler. Op het etiket staat een tip hoe de inhoud het best kan worden gedronken: “ ’n Lewendige wyn gepak met vrugtegeure en volop smaak. Skink, sit af jou selfoon en geniet!” “Goed gekoeld” staat er inderdaad niet bij. Toch is het precies wat ik op deze wat depri makende plek nodig heb. Het skilpaadjie is een ingepakte bal gehakte lamslever die met een tandenstoker bijeen wordt gehouden en wordt opgediend op een bedje groene sla. Het lijkt inderdaad vaag op een schildpadje, zij het zonder een uitstekend kopje of pootjes. Alles behalve haute cuisine. Bobotie is een recept uit de Kaap-Indische keuken met dank aan de slaven en politieke gevangenen uit “Ons Indië” die van de VOC een enkele reis Kaapstad kregen opgedrongen. Zonder meer smakelijk. Om 19.52 vertrekken de laatste mee-eters en bestel ik toch maar een toetje: Malvapudding. Een dikke plak in drank gedrenkte cake verborgen onder een laag warme custard. Deze maaltijd wordt, nog voor het slapen gaan, bijgeschreven in de kolom “dat was eens, maar nooit weer!”

wordt vervolgd